Onderwijs en Innovatie heeft niet tot doel studenten de kneepjes van het innoveren bij te brengen en onderscheidt zich in dat opzicht van HBO-masters, die wel meer op de praktijk van het innoveren gericht zijn, of een WO-master richting educational design. Wat we in de master Onderwijs en Innovatie in de eerste plaats willen doen, is denkgereedschappen aanreiken (vanzelfsprekend naast kennis), en de dispositie om deze gereedschappen te gebruiken stimuleren. De manier waarop het thema ‘onderwijsinnovatie’ in het huidige masterprogramma aan bod komt, hebben we geïnventariseerd aan de hand van een model dat bestaat uit de volgende componenten: (1) Kritische academische positie (2) Conceptuele gereedschappen, (3) Comparatieve gereedschappen en (4) Evaluatiegereedschappen (zie Bijlage 1).
De kritische academische dispositie wordt in dit geval beschouwd als de geneigdheid om over veronderstelde onderwijsinnovaties vragen te stellen als: wat wordt er precies voor deze innovatie geclaimd? Wie stelt de innovatie voor (met welk belang en met welk doel)? Waarom wordt er van ‘innovatie’ gesproken en is dat terecht? Welke visie op goed onderwijs ligt er ten grondslag aan de innovatie? En dezelfde kritische houding dienen de studenten natuurlijk ook ten opzichte van hun eigen ideeën te ontwikkelen. Deze dispositie proberen we in alle vakken te bevorderen, en dit wordt (op een algemeen niveau, nog los van innovaties) meteen in de Masterclass al ingezet, bijvoorbeeld door het gebruik van Perusall, Comproved en andere innovatieve onderwijsmethoden.
Bij de conceptuele gereedschappen gaat het om conceptuele analyse (van bijvoorbeeld het begrip ‘innovatie’) en conceptuele onderscheidingen als micro/meso/macro, theorie versus praktijk/implementatie, en allerlei nieuwe begrippen(kaders), gekoppeld aan visies op goed onderwijs die besproken worden (zoals kwalificatie, socialisatie, subjectificatie van Gert Biesta, of de cultuur-historische activiteits theorie. Deze komen in alle vakken aan bod. Verder kunnen onder dit kopje de verschillende theoretische en methodologische benaderingen genoemd worden waarmee studenten in de Masterclass kennismaken.
Als comparatieve gereedschappen duiden we de inhoud aan die studenten in staat stelt historische, nationale of internationale vergelijkingen te maken tussen (veronderstelde) onderwijsinnovaties. Hierbij gaat het eigenlijk om kennis van onderwijsinnovaties uit het verleden of elders, gecombineerd met conceptuele en evaluatiegereedschappen. De historische bijdragen in IGO en Diversiteit en Goed Onderwijs (DGO) zijn een goed voorbeeld, nationale voorbeelden komen in alle vakken ter sprake (bijvoorbeeld Ontwikkelingsgericht Onderwijs, professionalisering van leerkrachten, professionele leergemeenschappen, digitalisering), en in sommige gevallen gaat het hierbij om internationale ontwikkelingen (bijvoorbeeld formatieve assessment).
Evaluatiegereedschappen zijn de middelen die studenten in staat stellen innovaties te beoordelen. Deze functie wordt vervuld door de verschillende visies op goed onderwijs waar studenten in de master mee te maken krijgen, waaraan criteria voor goed onderwijs – en dus voor wat als een verbetering geldt – kunnen worden ontleend. We vinden het belangrijk dat studenten zien dat aan verschillende visies verschillende criteria kunnen worden ontleend, die soms haaks op elkaar staan. Studenten maken hiermee kennis in alle vakken. De Masterclass bereidt dit voor door verschillende theoretische en methodologische benaderingen de revue te laten passeren, in IGO wordt de vraag ‘Wat is goed onderwijs?’ aan de orde gesteld, en ook in DGO en Beleid en Praktijk van Onderwijsinnovatie (BPO) komen verschillende visies op onderwijskwaliteit en –verbetering aan bod – in DGO natuurlijk specifiek in relatie tot diversiteitsvraagstukken, in BPO gekoppeld aan het micro-, meso- en macroniveau, en in reflectie op de (impliciete) visies achter onderwijsbeleid. Innoveren is niet altijd wenselijk. De vraag naar goed onderwijs is daarom altijd het uitgangspunt (i.p.v. de vraag hoe we kunnen innoveren).
Naast het aanreiken en bevorderen van denkgereedschappen en een kritische dispositie, willen we studenten ook laten kennismaken met onderwijsinnovaties. Dit gebeurt in de Masterclass doordat daar gebruik wordt gemaakt van innovatieve onderwijsmethoden (Perusall, Comproved, de Schrijfmachine, enz.), in vakken als IGO en DGO doordat voorbeelden van recente of oudere onderwijsinnovaties besproken worden, en in BPO ook nog eens door studenten middels werkbezoeken te laten kennismaken met allerlei instanties die bij onderwijsinnovatie betrokken zijn (beleidsinstanties, adviesorganen, uitgeverijen, enz.).
De master vertoont dus een zeer sterke samenhang, doordat 1) de Masterclass goed voorbereidt op wat er in de andere vakken gebeurt en hiervoor de toon zet; 2) de verschillende denkgereedschappen in alle vakken aan bod komen (natuurlijk met verschillende accenten op theorie, praktijk en beleid); 3) de insteek en intentie consequent dezelfde is: studenten in staat stellen tot geïnformeerde en kritische reflectie op onderwijsinnovatie en verbeterprocessen in het onderwijs. De Stage en M-These stellen studenten in staat dit in praktijk te brengen en te demonstreren in de vorm van een empirisch of theoretisch onderzoek.