We zijn in gesprek met docent en teamleider van de onderwijssectie Geert Buijtenweg en junior docenten Hedwig Musch en Emilie Maas over het behalen van het predicaat Groei in Onderwijs (GO): het kwaliteitskeurmerk voor opleidingen die excellente begeleiding en ontwikkelingsmogelijkheden bieden aan startende docenten in het hoger onderwijs.
Jullie ontvingen recentelijk als eerste opleiding in Nederland het GO-predicaat, uitgereikt door de rector magnificus van de VU. Hoe voelde dat moment voor jullie?
Geert: “Trots natuurlijk! Maar ook een gevoel van: logisch eigenlijk, dit doen we al zo lang. We zijn al heel ver in het samen opleiden en begeleiden. Voor onze junior docenten werken we al jaren met de Krachtige Acht: een onboardingprogramma, intervisie, een mentor, onderwijsobservatie, een GOördinator, buddysysteem, groeiplan en ontwikkeltijd.”
Emilie: “Klopt, alleen hadden we daar nooit een echte naam aan gegeven. Nu zegt iemand van buitenaf: dit doen jullie heel goed. En dat geeft ook bevestiging. Toen ik hier startte als junior docent, viel me meteen op hoe normaal het was dat je wordt meegenomen door je collega’s. Zo’n predicaat laat zien dat dit niet overal zo vanzelfsprekend is. En dat maakt je natuurlijk trots dat je onderdeel bent van zo’n team.”
Kunnen jullie een voorbeeld geven van hoe samen opleiden bij jullie werkt?
Hedwig: “Een mooi voorbeeld is het buddysysteem. De ene docent heeft meer ervaring met een vak, de ander is net begonnen. Dus dan werk je vaak in zulke duo’s: je bereidt samen voor, je geeft samen les en daarna praat je na. Je groeit daardoor veel sneller dan wanneer je in je eentje een vak moet dragen.”
Emilie: “En het stopt ook niet na de les. Doordat we allemaal op dezelfde kamer zitten, ontstaan er vanzelf gesprekken. Even sparren, vragen hoe iemand iets heeft aangepakt of gewoon je frustratie delen als iets niet lekker loopt. Dat klinkt klein, maar het maakt een wereld van verschil.”
Waar anderen startende docenten vooral laten leren on the job, kiezen jullie juist voor gerichte begeleiding.
Geert: “Ja, precies. Bij Bewegingswetenschappen hebben we een cultuur van samenwerken, met onder meer een mentor en lesobservaties. Je leert het vak door het samen te doen, net zoals onze studenten leren door actief samen te werken.”
Hoe hielp het traject naar het predicaat om dit nog scherper te krijgen?
Emilie: “Nou, het predicaat was eigenlijk geen toetsmoment, maar eerder een soort spiegel. Je legt je praktijk naast de criteria en ziet: hier scoren we al goed, hier kunnen we nog groeien.”
Geert: “Voor ons betekende het bijvoorbeeld dat we intervisiemomenten structureler zijn gaan inplannen. We deden het al informeel, maar door het proces beseften we hoe waardevol het is om dat vast te leggen.”
Hedwig: “Ik vond het ook interessant dat we ineens moesten benoemen wat we deden. Dingen die voor ons vanzelfsprekend zijn, zoals samen een vak draaien of elkaar feedback geven, krijgen dan ineens een officiële term. Het gaf me ook inzicht: hé, blijkbaar is dit iets bijzonders en waardevols.”
Hedwig en Emilie, hoe was het voor jullie om als junior docent te starten in zo’n omgeving?
Hedwig: “Het scheelde enorm dat ik mocht leren en fouten mocht maken. Dat haalde al heel wat spanning weg. Tegelijkertijd leer je ook snel. Omdat je ziet hoe anderen het doen en daar direct op kunt reflecteren.”
Emilie: “Dat herken ik ook. En je weet dat er mensen zijn die je steunen en dat maakt dat je met plezier en vertrouwen voor de collegezaal staat.”
Jullie werken met een relatief grote groep junior docenten. Maakt dat verschil?
Hedwig: “Ja, dat merk je wel. Veel opleidingen hebben één of twee junior docenten; wij hebben een hele groep. Daardoor ervaar je elkaar echt als peers. Je kunt altijd bij iemand terecht, want er is altijd herkenning.”
Emilie: “Het is eigenlijk ook een luxe, maar juist daardoor beseften we: we moeten ook wat vaker buiten onze eigen muren kijken. Tijdens het traject dachten we: hoe leuk zou het zijn om meer contact te hebben met junior docenten van andere opleidingen? Gelukkig gebeurt dat al via de Broedplaats van het VU Centre for Teaching & Learning (VU CTL). Zo’n fijne plek waar je ideeën kunt delen en met nieuwe inspiratie naar buiten loopt.”
Het GO-predicaat en het bijbehorende traject kunnen voor opleidingen best overweldigend klinken. Wat willen jullie hen meegeven?
Emilie: “Ik snap de aarzeling wel. Het klinkt alsof je beoordeeld wordt. Maar zo is het eigenlijk niet. Het is een hulpmiddel, geen controlerend iets.”
Hedwig: “Klopt. Alles wat je al doet, telt mee, en de criteria zijn best flexibel. Maar aan de Krachtige Acht moet je wél voldoen. Dat zijn de basisvoorwaarden van het GO-predicaat.”
Geert: “Mijn advies: begin met het gesprek. Wat gaat goed, wat kan beter? Vaak sta je verder dan je denkt.”
Wat moet dit GO-predicaat uiteindelijk in gang zetten?
Geert: “Nou, mijn wens is dat in 2030 elk onderwijsteam een GO-predicaat heeft. Daar wordt het onderwijs gewoon beter van. Voor docenten én studenten. Ik hoop dat dit predicaat ook echt andere opleidingen inspireert. Het laat zien dat investeren in junior docenten niet alleen goed is voor hen, maar voor het hele onderwijs aan de VU.”
Meer weten over het GO-predicaat? Lees hoe jouw opleiding zich kan aanmelden.