Vanaf het midden van de Gouden Eeuw werd in de Republiek een netwerk van kanalen en trekschuitvaarten aangelegd dat het modernste openbaar vervoerssysteem van Europa mogelijk maakte. Trekschuiten en beurtvaarders vervoerden volgens dienstregeling passagiers en goederen door het hele land. Ook bij droogleggingen, zoals die van de Beemster en de Purmer, speelde water een hoofdrol: ringvaarten en watermolens voerden het water af om land te winnen. Tijdens belegeringen werd water als aanvals- én verdedigingsmiddel ingezet. De aanleg van waterlinies in de zeventiende eeuw was technisch complex en politiek gevoelig. Niet iedereen was voorstander van een waterlinie die het hele land moest beschermen. In zijn Interest van Holland stelde Pieter de la Court voor om Holland en Utrecht, via een kanaal tussen de Lek en de Zuiderzee, als verdedigbaar eiland af te scheiden van de rest van de Republiek. Johan de Witt, doorgaans een medestander van De la Court, vond dit plan te ver gaan en liet het uit het boek verwijderen.
In deze cursus wordt duidelijk dat het verhaal van de Republiek ook in grote mate het verhaal van water is: als bron van mobiliteit, verdediging, economische groei én overleving.
Onderwijsvorm: 2 hoorcolleges met ruimte voor vragen na afloop.
Literatuur: Digitaal cursusmateriaal.
Studiebelasting: nihil.
Verwachte voorkennis: Enige basale kennis van de Nederlandse Gouden eeuw.
Meer over deze cursus
Inleiding
Data, kosten en inschrijven