De geschiedenis van Amsterdam laat zien dat maatschappelijke spanningen geregeld uitmondden in oproer, waar de overheid vervolgens op reageerde. In deze cursus gaat het niet alleen om wat er feitelijk gebeurde, maar ook over de achtergrond ervan.
Daarom is er eerst aandacht voor theorieën die het verschijnsel oproer helpen verklaren. Vervolgens wordt een aantal grote oproeren besproken. Daarbij staan vragen centraal als: uit welke lagen van de bevolking kwamen de oproerlingen? Wat waren hun motieven? In hoeverre waren de oproeren spontaan? Is er sprake van een terugkerend patroon of ritueel? Hoe reageerde de overheid? En bereikten de oproeren hun beoogde doelen?
Aan bod komen onder meer het Wederdopersoproer (1535), het Aansprekersoproer (1696), de Pachters- en Doelistenoproeren (1748), het Kattenburgoproer (1787), het Soeploodsoproer (1835), het Palingoproer (1886), het Aardappeloproer (1917), een revolutiepoging in 1918 en het Jordaanoproer (1934). Deze gebeurtenissen gingen vaak gepaard met aanzienlijk geweld, waarbij ook dodelijke slachtoffers vielen. Naast sociaal-economische factoren speelden bij sommige oproeren ook religieuze en politieke invloeden een rol. De cursus biedt inzicht in zowel de brede waaier van Amsterdamse oproeren in de periode 1535-1934 als in de bredere context waarin ze plaatsvonden.
Onderwijsvorm: 8 hoorcolleges met ruimte voor vragen aan het einde van elk college.
Studiebelasting: nihil.
Verwachte voorkennis: Er zijn geen specifieke eisen aan vooropleiding en voorkennis.
Overige informatie: De docent heeft tijdens de cursus Leven en Luxe: Materiële Cultuur in Europa 1500–1800 (voorjaar 2026) aangekondigd dat hij in het najaar 2026 een cursus over de vroegmoderne tijd zou geven. Deze wordt uitgesteld tot het najaar 2027.
Meer over deze cursus
Inleiding
Data, kosten en inschrijven