Zakendoen in het buitenland was niet zonder risico’s in de vijftiende en zestiende eeuw. Piraten en kapers aasden op schepen, muitende troepen maakten de landwegen onveilig en zakelijke geschillen konden ook voor heel wat problemen zorgen. Kooplieden en schippers met problemen stonden er echter niet alleen voor: zij konden rekenen op steun van hun thuisfront. Dat wil zeggen: hun thuisstad en vorst. Vooral die eerste deed er alles aan om de belangen van haar onderdanen in den vreemde te beschermen. Steun van het thuisfront varieerde van het verkrijgen en beschermen van gunstige handelsprivileges, het bevorderen van infrastructuur, tot het afdwingen van schadevergoedingen. Dit bleek in ieder geval uit onderzoek naar kooplieden en schippers uit de steden Kampen, Utrecht en Zutphen tussen 1440-1560.
Het thuisfront deed ook moeite om de commerciële belangen van onderdanen voor buitenlandse rechtbanken te beschermen. Zo werden er rechtszaken aangespannen om privileges te doen naleven. Ook werden processen die tégen een stad waren aangespannen adequaat afgehandeld om een ongunstig vonnis te voorkomen. Steden combineerden hierbij vaak de formele juridische procedure met (veelal informele) diplomatie om het verloop van een rechtszaak gunstig te beïnvloeden. Tot slot kregen ook procederende onderdanen steun om succesvol voor vreemde rechtbanken te kunnen procederen.
Deze juridische steun van het thuisfront, samen met alle andere vormen van steun, dient in acht te worden genomen als we willen begrijpen hoe laatmiddeleeuwse handel ondanks alle risico’s tóch lucratief was.
Dr. Jurriaan Wink is gastprofessor aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij is daarnaast verbonden aan de onderzoeksgroep SHOC (Social History of Capitalism).
Voor Forum Romanum (Rechtshistorisch dispuut UvA en VU Amsterdam), zie hier.