Onderwijs Onderzoek Actueel Over de VU EN
Login als
Studiekiezer Student Medewerker
Bachelor Master VU for Professionals
HOVO Amsterdam VU-NT2 VU Amsterdam Summer School Honoursprogramma Universitaire lerarenopleiding
Promoveren aan de VU Uitgelicht onderzoek Prijzen en onderscheidingen
Onderzoeksinstituten Onze wetenschappers Research Impact Support Portal Impact maken
Nieuws Agenda Gezond leven aan de VU
Israël en Palestijnse gebieden Cultuur op de campus
Praktische informatie VU en innovatiedistrict Zuidas Missie en Kernwaarden
Besturing Impact en valorisatie Samenwerken met ons Alumni Werken bij de VU
Sorry! The information you are looking for is only available in Dutch.
Deze opleiding is opgeslagen in Mijn Studiekeuze.
Er is iets fout gegaan bij het uitvoeren van het verzoek.
Er is iets fout gegaan bij het uitvoeren van het verzoek.

In the spotlight: Peter Beek

Wie zich bezighoudt met bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam, kan nauwelijks om hem heen: prof.dr. Peter J. Beek. Al decennialang verricht hij toonaangevend onderzoek naar de aansturing en coördinatie van menselijke bewegingen, met bijzondere aandacht voor alledaagse vaardigheden, expertise en motorisch leren. Zijn werk kenmerkt zich door een indrukwekkende interdisciplinariteit en een voortdurende verbinding tussen fundamentele wetenschap en praktische relevantie.

Naast zijn wetenschappelijke verdiensten vervulde Beek ook diverse bestuurlijke rollen binnen de universiteit, onder meer als decaan, eerst van de FBW en daarna van de FGB. In al die hoedanigheden wist hij richting te geven, mensen te verbinden en het vakgebied verder te brengen, binnen en buiten de muren van de VU.

Op 9 juli 2026 bereikt Peter Beek de pensioengerechtigde leeftijd en op 2 oktober neemt hij afscheid met een rede in de aula van de VU. Een passend moment om stil te staan bij zijn loopbaan, zijn drijfveren en zijn blik op de toekomst. In dit interview blikt hij terug op zijn carrière als wetenschapper en bestuurder, deelt hij zijn inzichten over het vakgebied en kijkt hij vooruit naar wat komen gaat.

U heeft een indrukwekkende carrière opgebouwd als bewegingswetenschapper én als bestuurder. Als u terugkijkt: welke keuze of welk moment is doorslaggevend geweest voor de richting die uw loopbaan heeft genomen?

Drie keuzemomenten waren daarin bepalend. Zoals zo veel van onze studenten was ik in mijn tienerjaren sportief aangelegd en wilde ik me inschrijven voor de ALO. Ik kon echter ook goed leren en mijn beide ouders waren zogezegd meer intellectueel dan fysiek georiënteerd. Ze zagen liever dat ik naar de universiteit zou gaan. Ik ben me toen gaan verdiepen in de mogelijkheden en kwam uit bij de relatief jonge academische opleiding Lichamelijke Opvoeding bij de VU. Die ben ik gaan volgen. Ik vond de studie leuk en werd in het begin vooral gegrepen door de wetenschapshistorische en filosofische vakken, maar gaandeweg groeide mijn belangstelling voor het doen van onderzoek. 

Na mijn afstuderen kon ik promovendus worden bij John Whiting, die zich onder meer bezighield met het sturen en leren van alledaagse bewegingshandelingen, zoals het vangen van een bal. Dat vond ik zo’n boeiend onderwerp dat ik daar mijn promotieonderzoek aan heb gewijd. Dat onderzoek ging niet over het vangen van één bal maar het jongleren van meerdere ballen. 

Het derde keuzemoment ontstond toen de termijn van Peter Hollander als decaan afliep en met geen mogelijkheid verder opgerekt kon worden. Ik was toen al enige tijd hoogleraar en wilde me wel bestuurlijk sterk maken voor de bewegingswetenschappen, in het volle besef dat het allerminst vanzelfsprekend is om een studierichting bewegingswetenschappen aan een universiteit te hebben. Wat ik toen niet wist, was dat ik die functie 12 jaar zou vervullen en een fusie met een andere faculteit zou leiden, daarmee de positie van de bewegingswetenschappen aan de ene kant wellicht wat zwakker maken maar aan de andere kant tegelijk sterker want solide ingebed in een grotere faculteit.

Uw werk kenmerkt zich door een sterk interdisciplinair karakter. Waar komt die fascinatie voor het verbinden van disciplines vandaan, en wat heeft die benadering u opgeleverd, wetenschappelijk én persoonlijk?

Het antwoord op deze vraag is gelegen in het onderwerp van onderzoek. Als je wilt weten hoe het menselijke bewegen in elkaar steekt en verandert door ontwikkeling- en leerprocessen, dan ontkom je er niet aan om gebruik te maken van concepten en methoden uit verschillende disciplines. Het is lastig om die bij elkaar te brengen, maar dat is wat mij betreft wel een wezenskenmerk van de bewegingswetenschappen, anders zou die ook geen of een beperkter bestaansrecht hebben. Ik ben altijd breed geïnteresseerd geweest in de wetenschappen, van fysiologie en biomechanica tot psychologie en sociologie, van empirisch onderzoek tot filosofische analyse. 

Daarom waren de bewegingswetenschappen voor mij ook zo aantrekkelijk; ik koos voor de studie bewegingswetenschappen (destijds lichamelijke opvoeding) om geen keuze te hoeven maken voor één specifieke discipline. Door de combinatie van verschillende disciplinaire invalshoeken ontstaan nieuwe inzichten, vooral als deze geïntegreerd worden in een meer omvattende voorstelling of model. Ik heb mijn best gedaan daar een bijdrage aan te leveren en dat heeft mij ook het nodige gebracht, zowel wetenschappelijk als persoonlijk, al was het alleen maar dat ik mij altijd breed in de wetenschappen ben blijven oriënteren en vernieuwen. Maar ja, zoals mijn leermeester John Whiting, mij al als spiegel voorhield: “You’re a jack of all trades, but a master of none.”    

In uw onderzoek staat de aansturing en coördinatie van menselijke beweging centraal, vaak in de context van expertise en vaardigheidsontwikkeling. Welke inzichten uit uw werk hebben u zelf het meest verrast?

Dit vind ik een interessante vraag omdat die noopt tot nadenken over al dat onderzoek dat ik heb verricht. In mijn onderzoek naar het leren jongleren was ik verrast door de enorme verschillen in de snelheid waarmee de deelnemers aan het onderzoek hun jongleervaardigheid ontwikkelden. Sommigen konden na een kwartiertje al met drie ballen jongleren en anderen hadden daar na twee weken nog steeds moeite mee. Eén van de een jongste deelnemers aan mijn promotieonderzoek, Michiel Hesseling, was bijzonder getalenteerd en zou later dan ook een bekende straat- en theaterartiest zou worden, die met zijn jongleerkunsten een goede boterham wist te verdienen. Hoe en met welke kwaliteit mensen bewegen is sterk individueel bepaald, tot aan de hoogste prestatieniveaus aan toe. Dit heb ik niet alleen in het jongleren vastgesteld, maar ook in het onderzoek naar drummen, (hard)lopen en zwemmen. Wat daarbij verder opviel, is dat de unieke individuele manier waarop mensen bewegen verregaand constant en reproduceerbaar is. Iemand die met een grote amplitude ritmische armbewegingen maakt of met grote passen loopt, blijft dat doen, tenzij je heel gericht aan de individuele stijl van bewegen gaat zitten sleutelen, iets wat behoorlijk lastig is om in de praktijk voor elkaar te krijgen.

Bewegingswetenschappen bevinden zich op het snijvlak van fundamenteel onderzoek en praktische toepassing. Wanneer voelde u het sterkst dat uw wetenschap ‘ertoe deed’ buiten de academie?

Twee ervaringen springen er in dit opzicht uit. Met Melvyn Roerdink sta ik te boek als de uitvinder van de C-Mill, een lopende band waarmee je als therapeut of hulpverlener met behulp van auditieve en visuele cues het looppatroon van een patiënt in een gewenste richting kan beïnvloeden. We hebben het patent van dit apparaat afgestaan aan het bedrijf Force Link, dat later zou opgaan in Motek Medical. Terugblikkend wellicht onverstandig, want van de C-Mill zijn meer dan 100 exemplaren verkocht, maar met de compenserende financiële steun van Force Link, hebben we wel een aantal funderende studies kunnen doen naar de C-Mill en de toepassing daarvan in de revalidatiepraktijk, waar deze inmiddels breed wordt toegepast. Later in mijn loopbaan ben ik mij gaan toeleggen op het ontsluiten en vertalen van de bevindingen en inzichten uit het onderzoek naar motorische leerprocessen voor de sport- en de fysiotherapie- en revalidatiepraktijk, onder andere door een cyclus van vijf minicolleges voor de Universiteit van Nederland, artikelen in FysioPraxis en Sportgericht en podcasts. Hier bleek heel veel behoefte en belangstelling voor te zijn, veel meer dan voor mijn meest succesvolle wetenschappelijke publicaties (afgaande op citaties, viewers en downloads bleek het verschil in impact wel in de orde van een factor 100 te verschillen).

U vervulde naast uw wetenschappelijke werk meerdere bestuurlijke rollen, onder meer als decaan.
Wat neemt u vanuit uw wetenschappelijke achtergrond mee in uw manier van besturen en andersom?

De werkelijkheid is, net als de menselijke beweging, multidimensionaal van aard. Aan elk bestuurlijk probleem zitten meerdere kanten. Het is zaak om die goed in kaart te brengen om tot een bestuurlijke koers of besluit te komen. Daarvoor is nodig dat alle dimensies, visies en scenario’s zo goed mogelijk onderbouwd aan bod komen. Tegen die achtergrond ben ik als bestuurder ben ik altijd een verbinder geweest, die ruimte liet voor alle stemmen, ongeacht rang of stand. Ik was wars van machtsspelletjes, schijnopenheid en argumenten van autoriteit en leverde daar tegenspel op, voortdurend op zoek naar het ware gesprek en eerlijke, steekhoudende argumenten, wat lang niet altijd meeviel, zeker niet in tijden van bestuurlijke crisis. Daarbij was het in mijn periode als medebestuurder van de VU vaker nodig dan ik had verwacht om in herinnering te roepen waarom de primaire processen van onderwijs en onderzoek zo heten. Gelukkig heb ik kunnen voorkomen dat in de reorganisatie van de bedrijfsvoeringen de technische diensten zouden worden gecentraliseerd, wat natuurlijk een onzalig en desastreus plan was.

U heeft vele promovendi en jonge onderzoekers begeleid.
Wat probeerde u hun vooral mee te geven, los van inhoudelijke kennis?

Wat ik heb vooral aan mijn promovendi heb proberen mee te geven, is het vermogen sterk en zelfbewust te communiceren, zowel in het gesproken als geschreven woord, en daarbij openheid en zelfvertrouwen uit te stralen. Jonge onderzoekers moeten van zich laten horen en hun bevindingen en ideeën voor het voetlicht brengen, zodat zij zichtbaar zijn voor de wetenschappelijke gemeenschap en daarbuiten. Daarmee groeit ook het vertrouwen in zichzelf en in hun werk. Daarnaast probeer ik met hen mee te denken over waar ze staan in hun carrière, wat ze willen en waar ze blij en enthousiast van worden, en wat dan een passend vervolg zou kunnen zijn in hun professionele carrière.  

De academische wereld is de afgelopen decennia sterk veranderd.
Welke ontwikkelingen baren u zorgen, en welke stemmen u juist hoopvol?

Bewegingswetenschappen aan de VU is sinds de komst van de voorwaardelijke financiering in de jaren ’80 van de vorige eeuw sterk fundamenteel georiënteerd geweest met veel aandacht voor de biomechanica, de spier- en inspanningsfysiologie en in een later stadium de gedragswetenschappen. Toepassingen, zoals de klapschaats, vloeiden voort uit fundamentele kennis. In de huidige tijd is veel meer aandacht gekomen voor de maatschappelijke waarde van het onderzoek, veelal aangeduid met de term ‘impact’. Op zich terecht want veel van het onderzoek wordt direct (eerste geldstroom) of indirect (NWO) door de overheid bekostigd en de bevolking van Nederland wil graag weten wat de samenleving aan het onderzoek heeft. 

Voor de bewegingswetenschappen is dat niet moeilijk om aan te tonen. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat je als onderzoeker aan een bewegingswetenschappelijk probleem werkt, zonder dat daar toepassingsmogelijkheden voor zijn. Wat we als afdeling nog moeten leren is daar sterker op te ordenen en onze fundamentele interesses te plaatsen in de context van onderzoek dat gericht is op het bewerkstelligen van maatschappelijke impact of de voorwaarden daartoe. De schaduwkant van de sterke nadruk die in dit tijdsgewricht op maatschappelijke impact wordt geplaatst, is dat de mogelijkheden voor het doen van fundamenteel onderzoek, afgezien van de persoonsgebonden subsidies, steeds moeilijker wordt en dat is jammer, want wetenschappelijke impact is ook een vorm van impact die bovendien vaak voorafgaat aan maatschappelijke innovaties. We moeten dus niet het spreekwoordelijke kind met het badwater weggooien. 

Met de ontwikkelingen in de data science en AI gaan de bewegingswetenschappen, zoals alle wetenschappen, een nieuw tijdperk tegemoet, waarin het klassieke experiment gevolgd door statistische analyse op grond van een relatief kleine set data, plaats zal maken van nieuwe vormen van onderzoek op basis van intensieve statische analyses op basis van een groot aantal data. Ik hoop en verwacht ook dat daardoor meer zicht zal ontstaan op de unieke individuele signatuur van de sturing van beweging en verandering daarin door ontwikkel- en leerprocessen. Een interessante ontwikkeling in dat verband zijn de ‘digital twins’, oftewel digitale replica van individuen die via sensoren en continue datastromen en AI nabootsen en voorspellen hoe individuen reageren op input, bijvoorbeeld in de vorm van zintuigelijke informatie, cognitieve taken of trainingsprikkels. Wat mij betreft een hele spannende ontwikkeling, die ik vanaf de zijlijn zeker zal volgen!

Lees hier het artikel over MOVE

Portret Peter Beek

Direct naar

Homepage Cultuur op de campus Universiteitsbibliotheek Dashboard

Studie

Academische jaarkalender Studiegids Rooster Canvas

Uitgelicht

Doneer aan het VUfonds VU Magazine Ad Valvas Digitale toegankelijkheid

Over de VU

Contact en route Werken bij de VU Faculteiten Diensten
Privacy Disclaimer Veiligheid Webcolofon Cookie instellingen Webarchief

Copyright © 2026 - Vrije Universiteit Amsterdam