Studenten voorbereiden op een complexe wereld: een mooie en belangrijke ambitie. Maar hoe doe je dat in de praktijk? De nieuwe gids VU Wereldgerichte didactiek helpt docenten op weg. En dat hoeft niet groots, benadrukken de makers: “Soms begint het al bij de vraag die je stelt, hoe je naar een student luistert of simpelweg bij het woord ‘wij’.”
We spreken directeur VU Centre for Teaching & Learning (CTL) Janneke Waelen en onderwijsspecialisten Jessy la Faille en Yolanda Koevoets over klein beginnen, grote wereldvragen en waarom je als docent niet alle antwoorden hoeft te hebben.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: waarom moest deze gids er komen?
Koevoets: “We merken bij het VU CTL dat docenten meer willen dan alleen vakkennis overbrengen. Ze willen studenten ook aanzetten tot dieper leren en persoonsvorming. Alleen: wij kunnen natuurlijk een lijst met do’s-and-don’ts maken, maar zo werkt didactiek niet. Het helpt docenten als zij zich bepaalde didactische keuzes eigen kunnen maken. Dat het didactisch handelen echt in hun vezels gaat zitten. En dat kost tijd. Je moet durven kijken naar je eigen handelen.”
Waelen: “Die behoefte kwam ook naar voren in het Overleg Portefeuillehouders Onderwijs (OPO). Tegelijk gebeurt er binnen de Vrije Universiteit Amsterdam al veel rond wereldgericht onderwijs, van het VU MIXED model en Community Service Learning tot A Broader Mind. De vraag was dus: hoe brengen we al die kennis en ervaringen samen in iets waar docenten mee aan de slag kunnen? Zo ontstond het idee voor deze gids: een handreiking om naar je eigen onderwijs te kijken en daar ook echt stappen in te zetten.”
La Faille: “Precies. Met docenten en studenten van onder andere Antropologie en Milieuvraagstukken is bijvoorbeeld al intensief gewerkt aan het herontwerpen van onderwijs. Dan zie je: hé, dit werkt, hier kunnen we verder mee. Die ervaringen waren voor ons een aanleiding om eens goed te kijken: welke pedagogische en didactische uitgangspunten komen steeds terug?”
De VU wil studenten opleiden tot goede wetenschappers én betrokken wereldburgers. Wat maakt onderwijs nu eigenlijk ‘wereldgericht’?
La Faille: “Voor mij is dat heel logisch: een universiteit leidt goede wetenschappers op, maar die wetenschappers staan natuurlijk niet los van de wereld. Als het goed is, werken ze uiteindelijk in dienst van de samenleving. Bij Milieuvraagstukken zagen we bijvoorbeeld studenten die in colleges regelmatig werden geconfronteerd met de gevolgen van klimaatverandering. Studenten wilden het natuurlijk over de inhoud hebben, maar hadden ook sterk de behoefte om daar met elkaar over in gesprek te gaan. Ze vroegen zich af: wat betekent dit voor míj? Wat zijn de gevolgen van mijn eigen gedrag? Kan ik zelf iets anders doen? Wereldgerichte didactiek betekent dat je in je onderwijs ruimte maakt voor dat soort vragen.”
Is er een moment waarop jullie dachten: dít is precies waarom we dit doen?
Koevoets: “Absoluut. Voor mij zit dat juist in kleine momenten. Studenten leren niet alleen van wat je vertelt, maar ook van wat je dóét: hoe je je opstelt en contact met ze maakt. Een docent is niet alwetend. Laatst sprak ik een ervaren universitair docent die iets kleins in zijn onderwijs had veranderd: hij besteedde wat meer aandacht aan wat hén bezighield met betrekking tot de inhoud van zijn colleges en vroeg hier, meer dan voorheen, op door. Alleen dat al hielp studenten om breder te kijken. Dan denk ik: ja, precies. Dáár zit het.”
La Faille: “Bij mij gaat dat terug tot mijn zeventiende. Toen las ik Silent Spring van Rachel Carson. In dit boek verwijst Carson naar de gevolgen voor het klimaat door willekeurig gebruik van pesticiden. Dat boek zette me enorm aan het denken. We doen onderzoek, we ontwikkelen kennis, maar dan? Wat betekenen die inzichten en wat doen we ermee? Die vraag is altijd bij me gebleven. Kennis en inzicht zijn voor mij verbonden met verantwoordelijkheid. Zelf nadenken, reflecteren, luisteren, durven twijfelen, openstaan voor een ander perspectief. Juist nu alles zo snel verandert, zijn dat dingen die we in het onderwijs moeten blijven aanspreken.”
Veel docenten zullen dit herkennen: je wilt studenten voorbereiden op een complexe wereld, maar je hebt óók gewoon een vak dat af moet. Hoe maak je daar ruimte voor?
Koevoets: “Door ‘voorbereiden op de wereld’ niet naast je vak te zetten, maar erin. Het hoeft echt niet meteen iets groots te zijn. Welke vragen stel je? Hoe maak je studenten nieuwsgierig? Hoe zorg je dat ze zélf vragen gaan stellen? Het begint soms al bij hoe je studenten ontvangt. Hoe neem je ze mee in een onderwerp? Wat straal je zelf uit? Hoe wek je verwondering op? Dat kan eigenlijk bij ieder vak. En ja, zelfs bij statistiek.”
La Faille: “Klopt, ik gaf bijvoorbeeld jarenlang Historische pedagogiek aan eerstejaarsstudenten. Een dik boek, een pittig tentamen. Mijn uitdaging was: hoe ontwerp ik mijn lessen zo dat het interessant is voor studenten. Wat werkte was bijvoorbeeld te beginnen bij wat studenten al wisten, ze zelf met de stof aan de slag te laten gaan. Levendige voorbeelden van beeldende kunst en muziek maakten het vak tastbaarder. In de voorbereiding gaat het om: hoe maak ik als docent de inhoud toegankelijk en betekenisvol voor studenten? Welke opdrachten zetten studenten aan tot studeren? Lezen, kijken en luisteren zijn belangrijk. En even belangrijk zijn nadenken, gesprekken voeren en het aanspreken van het onderzoekend vermogen van studenten.”
In de gids staat ‘agency’ centraal: studenten helpen om zelf afwegingen te maken en in actie te komen. Waarom is dat zo belangrijk?
La Faille: “Agency gaat voor mij over verantwoordelijkheid én handelingsbekwaamheid. Kun je onderscheid maken? Kun je zelf keuzes maken? Daar heb je kennis en ervaring voor nodig, maar ook het vermogen om buiten je eigen koker te kijken. Bij Milieuvraagstukken verdiepten studenten zich bijvoorbeeld in voedselproductie en organiseerden ze samen een zo duurzaam mogelijke potluck. Dan wordt zo’n enorm vraagstuk ineens heel concreet: oké, wat kan ík doen binnen mijn eigen cirkel van invloed? Want grote systemen veranderen langzaam. Dat kan behoorlijk frustrerend zijn. Maar je ontdekt tegelijkertijd: ik sta niet helemaal met lege handen.”
Jullie nodigen docenten ook uit om stil te staan bij hun eigen rol als wereldburger. Wat hopen jullie dat zo’n reflectie in beweging zet?
Koevoets: “Dat docenten zichzelf durven laten zien. Je hoeft echt niet alle antwoorden te hebben; studenten mogen best zien dat je twijfelt. Juist door te laten zien hoe je vragen stelt en andere perspectieven onderzoekt, leef je dat voor.”
Waelen: “En ongemak hoort daar ook bij. Kijk eens naar je eigen handelen: waar schuurt het? Maar ook: wanneer zie je studenten ineens nieuwsgierig worden of echt samenwerken? Daar kun je op voortbouwen. Uiteindelijk gaat het om: we doen het samen.”
La Faille: “Precies. Als ik wil dat studenten naar elkaar luisteren, moet ik dat zelf natuurlijk ook doen. Haal de actualiteit de collegezaal in, ga het gesprek aan en geef ruimte aan verschillen. Zo leren studenten hun eigen gedachten te verwoorden en echt naar een ander te luisteren.”
Wat zouden jullie docenten willen meegeven voor hun volgende college?
Waelen: “Vergeet jezelf als docent niet. Je bent ook je eigen instrument: wat je vertelt, hoe je reageert en wat je voordoet, doet ertoe. Die onderstroom heeft veel invloed op wat er in je onderwijs gebeurt.”
La Faille: “Ik gun docenten vooral dat ze ervaren wat er gebeurt als een college echt goed in elkaar zit. Dat je om je heen kijkt en studenten gewoon vol aandacht bezig ziet. En uiteindelijk hoop ik vooral dat studenten én docenten plezier hebben in alles wat ze samen leren.”
Koevoets: “Ik word altijd blij als een docent ‘wij’ zegt in plaats van ‘jullie’. Zoiets kleins maakt al verschil. Je zegt eigenlijk: we staan hier samen voor en we gaan dit samen leren.”