De LLO Versneller ondersteunt VU-docenten en onderzoekers bij het ontwikkelen van kortdurend onderwijs voor professionals. In drie maanden werk je toe naar een concreet en marktgericht aanbod, samen met collega’s uit verschillende disciplines.
Jan Baan, VU-universitair docent bij de Educatieve Master Primair Onderwijs (EMPO), ontwikkelde tijdens het pilot-traject van de LLO Versneller een professioneel programma voor leerkrachten die hun onderzoekende vaardigheden beter willen inzetten in hun dagelijkse onderwijspraktijk. Wat leverde de LLO Versneller hem op? En wat kunnen andere VU-docenten en onderzoekers daarvan leren? Baan vertelt er vandaag meer over.
Je besloot mee te doen aan de LLO Versneller. Wat was voor jou de belangrijkste reden om je aan te melden?
“Als universitair docent is het belangrijk om goed na te denken over hoe je je kennis inzet. We hebben veel academische expertise die relevant is voor de praktijk. Die kennis mag vaker landen in het werkveld. En dat vraagt om een bewuste brugfunctie en om waardering voor collega’s die die verbinding maken tussen universiteit en praktijk. Daar ligt volgens mij veel potentie.”
Wanneer heb je volgens jou het meeste aan de LLO Versneller?
“Vooral als je al een idee hebt, maar nog niet precies weet hoe je dat moet vormgeven. Je hoeft geen uitgewerkt plan te hebben. Een duidelijke richting is genoeg. De LLO Versneller helpt je om je idee een paar stappen verder te brengen en laat je nadenken over aspecten waar je anders misschien niet aan zou denken.”
Welk vraagstuk uit jouw onderwijspraktijk wilde je precies aanpakken?
“Binnen de EMPO leiden we academische leerkrachten op. Dat is een relatief kleine en nog jonge groep professionals. Veel van hen weten nog niet goed wat hun meerwaarde is in het basisonderwijs, of hoe ze hun academische en onderzoekende vaardigheden kunnen inzetten in hun dagelijkse werk.
Ik wilde een aanvullende training ontwikkelen die hen ondersteunt in hun eerste jaren als leerkracht. Het idee was om samen met schoolbesturen een programma te maken waarin zij leren hoe ze hun onderzoekende houding kunnen gebruiken om hun eigen onderwijs te versterken. Alleen: dat idee was nog vrij vaag. Ik zocht een manier om het concreter te maken.”
Wat hielp je om er een concreet plan van te maken?
“De eerste vraag die we kregen was: voor wie is je programma eigenlijk bedoeld? Dat bleek meteen ontzettend waardevol. Aanvankelijk richtte ik me op academische leerkrachten. Maar dat is een kleine doelgroep. Door breder te kijken naar bijvoorbeeld onderzoekende leerkrachten of leerkrachten met een academische mindset, werd mijn doelgroep veel scherper én groter.
Daarnaast leerde ik nadenken over vragen die verder gaan dan de inhoud alleen: hoe positioneer je een programma, hoe organiseer je het binnen schoolbesturen en welke kosten spelen een rol? Dat soort vragen helpen om van een idee een echt aanbod te maken.
Het plan werd dan uitgewerkt in een flyer en op een website en gedeeld met schoolbesturen. Inmiddels heeft één bestuur al interesse getoond. We beginnen bewust klein, zodat we kunnen leren en bijstellen.”
Wat maakte het traject volgens jou sterk?
“De groep. Er deden collega’s mee uit allerlei faculteiten. Daardoor krijg je heel andere perspectieven op je eigen idee. Daarnaast zorgen de bijeenkomsten voor focus. Je reserveert tijd, presenteert regelmatig aan anderen en blijft daardoor stappen zetten. Dat werkt.
Ook de praktische tools waren waardevol. We werkten bijvoorbeeld met het business model canvas. Daarmee denk je systematisch na over vragen als: wie zijn je klanten, wat is je meerwaarde en wie heb je nodig om je programma succesvol te maken? Door je verhaal steeds opnieuw te presenteren, wordt het steeds scherper.”
Ook interesse om mee te doen? Op 30 september 2026 start de volgende editie van de LLO-versneller.