Jip-en-janneketaal als serieuze didactiek
“Ik was vroeger helemaal geen modelleerling. Ik vond de lesstof vaak saai en ik had moeite om mijn aandacht erbij te houden. Soms kwam ik niet, soms werd ik eruit gestuurd. Wat me wel boeide, was de natuur. Via die weg kwam ik uiteindelijk bij het Wereld Natuur Fonds en later in de collegezaal aan de Vrije Universiteit Amsterdam terecht. En juist omdat ik zelf zo weinig had met droge academische lessen, probeer ik mijn eigen onderwijs nu zo levendig, betrokken en relevant mogelijk te maken.
“Mijn moeder zei altijd: ‘je begrijpt een onderwerp pas echt als je het in jip-en-janneketaal kunt uitleggen.’ Dat ben ik nooit vergeten. Daarom kies ik in mijn gastlessen op de basisschool altijd één moeilijk woord om zonder jargon uit te leggen. Een kleine oefening die me eraan herinnert dat helder uitleggen misschien wel de moeilijkste en belangrijkste vaardigheid van een docent is.”
Wat een universiteit kan leren van het basisonderwijs
“Studenten activeren, dat is denk ik de grootste les. Eerstejaars hebben net zo goed als basisschoolkinderen behoefte aan afwisseling, spanning en interactie om bij de les te blijven. Als ik alleen maar een lange oratie houd, haakt de helft af. Daarom deel ik mijn colleges op in blokken. Na een stuk uitleg stel ik een vraag of geef ik een korte opdracht. Dat houdt iedereen wakker. Inclusief mezelf.”
Duidelijke taal, beter onderwijs
“Lesgeven aan kinderen heeft me ook veel bewuster gemaakt van mijn eigen taalgebruik. Ik merkte dat ik onbewust heel vaak in jargon sprak bij mijn studenten, zonder erbij stil te staan dat sommige termen voor hen helemaal niet vanzelfsprekend waren.
“Op de basisschool pak ik dat heel anders aan: daar leg ik ‘biodiversiteit’ uit door samen boomsoorten te tellen in het bos, een voorbeeld dat kinderen meteen begrijpen, omdat het zo dicht bij hun leefwereld ligt. Terwijl ik op de universiteit niet eens de moeite nam om een begrip als ‘genetische diversiteit’ kort uit te leggen. Nu doe ik dat wel, zodat iedereen het kan volgen en niemand achterblijft.”
Didactische lenigheid moet je trainen
“Mijn advies aan collega’s is eigenlijk heel simpel. Probeer het eens zelf: geef een gastles in een kleuterklas, of leg een lastig begrip uit aan je neefje, nichtje of het kind van een vriend. Je merkt meteen hoeveel creativiteit het vraagt om ingewikkelde stof toegankelijk te maken.
Dat is, naar mijn idee, de snelste manier om je didactische lenigheid te trainen. En dat is precies de vaardigheid die je als docent elke dag opnieuw nodig hebt.”