Tekst: Marjolein de Jong | Foto: David Meulenbeld | 16 december 2025
In een café in zijn geboortestad Amsterdam, waar de kerstlampjes afsteken tegen het grauwe ochtendlicht, blikt Heerma van Voss (35) terug op zijn eerste periode aan de VU en vertelt hij over hoe het schrijverschap aan verandering onderhevig is.
Sinds dit collegejaar loop je als Vrije Schrijver rond op de campus. Hoe geef je invulling aan je rol?
‘In mijn colleges houden we ons echt bezig met literatuur: we lezen verhalen of romanfragmenten en we praten over hoe zo’n tekst is opgebouwd en welk effect een schrijver nastreeft. Wat me opviel, is hoe toegewijd de studenten zijn. Als ik zeg: ’Lees deze twee verhalen voor volgende week’, dan heb ik het idee dat iedereen dat ook doet.
De komende tijd bezoeken we schrijvers thuis. Dan lezen we de ene week een boek van Adriaan van Dis en gaan we de week daarna naar hem toe - hetzelfde geldt voor Marijke Schermer en Maartje Wortel. Voor de studenten is dat denk ik echt geweldig. Ineens hoor je de schrijver zelf, in zijn eigen huis.’
Zelf studeerde je Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hoe was je als student?
‘Ik was nogal een buitenstaander: stil, op mezelf en liever bezig met mijn eigen verhalen dan met de studie. Ik vond de opleiding amusant, maar inhoudelijk stelde het niet veel voor. Het ging veel om taalkunde, een deelvak dat mij niet interesseerde. Het grootste gemis van de studie vond ik hoe weinig we écht lazen. Er was nauwelijks ruimte voor fictie, terwijl ik dat juist het leukst vond.’
In je romans blijf je vaak dicht bij je eigen leven: het hoofdpersonage is schrijver, of werkt bij een literair tijdschrift. Overweeg je weleens iets heel anders?
‘Voor mij zit er waarde in om dicht bij mijn eigen leven te blijven. Write about what you know is natuurlijk een cliché, maar bepaalde terreinen begrijp je nu eenmaal het best van binnenuit. Tegelijkertijd fantaseer ik wel degelijk over andere werelden. Ik sprak laatst met een rechter, die zei: “Je moet een dag achterin de rechtbank gaan zitten, dan hoor je zoveel bizarre verhalen.” En ik ken een man die naar verre landen gaat om daar met een baggerschip stranden aan te leggen. Dan denk ik weleens: ik zou graag meegaan. Maar tot nu toe keer ik in mijn schrijven vaak terug naar wat me het meest vertrouwd is.’
We zitten nu in december. Hoe blijft dit jaar je het meest bij?
‘Voor mij was dit vooral het jaar waarin mijn band met vrienden sterker werd. Bij de lancering van mijn boek voelde ik dat heel concreet: er waren veel mensen die ik liefheb, en ik voelde me echt ingebed. Tegelijkertijd vind ik het lastig om stil te staan bij wat gelukt is. Ik ben snel met het volgende bezig en voel altijd een zekere haast. Anderen zeggen weleens dat ik daar wat langer bij mag stilstaan.’
Ontspruit die haast uit een gevoel van noodzaak?
‘Het is eerder onrust. Als ik niets om handen heb, voel ik me onrustig. Dat betekent allerminst dat ik tien uur per dag in opperste concentratie aan het schrijven ben, maar ik ben in mijn hoofd wel altijd bezig met een verhaal of stuk. Dan koppel ik ervaringen daaraan. Het is niet zo dat ik als een aasgier over straat loop, voortdurend op zoek naar details voor mijn boeken, maar ik denk een paar keer per dag: past dit ergens bij? Is dit een leuke formulering?
Als ik midden in een roman zit, dan zou ik tijdens dit gesprek kunnen denken: dit past bij een personage. Een stopwoordje, of een kleine tic. Nu valt het me niet eens op, omdat ik momenteel niet met fictie bezig ben. Maar als ik dat wel zo is, denk ik nog vlak voor ik in slaap val aan het verhaal waar ik aan werk.’
Hoe hebben de studenten je aan het denken gezet?
‘Tijdens het lezen van een verhaal van Rob van Essen - waarin een groep personages het vuile haar van een dakloze afknipt - viel me op hoe moreel veel studenten lazen. Ze zeiden vooral: dit hoort niet, wat een verderfelijke persoon.
Ik zie dat steeds vaker: ook op websites als Goodreads en Hebban worden morele oordelen geveld over personages. Ik mis in de Nederlandse literatuur eerlijk gezegd juist hoofdpersonen die heel onsympathiek zijn en met wie je toch meevoelt. Ik heb het idee dat dat steeds verder weg raakt. Een klassiek voorbeeld is natuurlijk de roman Lolita. Je zit in het hoofd van een pervers brein, en toch is het een geweldig boek, door hoe het is geschreven. Dat zit in de taal: vol camouflage, met veel lyrische uitspattingen. Ik vraag me af of zo’n roman nu nog dezelfde indruk zou maken, of dat mensen toch eerder zouden zeggen: dit mag niet.’
In je roman Condities heb je je eigen ervaringen met de ziekte van Crohn verwerkt. Waarom?
‘Toen ik zelf met een permanente ziekte te maken kreeg, miste ik verhalen die daarbij aansloten. Als het in films of boeken over ziekte gaat, zijn dat vaak de heftigste varianten, met een duidelijke opbouw: strijd, erop of eronder, alles of niets. Ik wilde juist verhalen lezen over onzichtbare patiënten die niet afstevenen op een dramatisch einde, maar ook niet volledig mee kunnen doen met wat de maatschappij van hen vraagt.
Bovendien gaf het schrijven me een bepaalde regie terug. Het ‘lijden’ voelde zo nutteloos, en dat eindeloze gedoe in wachtkamers van ziekenhuizen kreeg in ieder geval een doel als ik er een verhaal omheen bedacht. Ik voelde sterk dat ik er zelf iets van wilde maken, om zelf te bedenken: nu gaat het dit verhaal worden, hier heb ik iets over te zeggen.’
In je nieuwste boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, ga je terug naar schrijvers die in 1977 een zelfportret maakten voor het literaire tijdschrift De Revisor. Hoe was het om deze generatie te ontmoeten?
‘Boeiend. Ik mocht bij iedereen langskomen, en ze vonden het gewoon leuk om te vertellen. Sommige schrijvers waren zelfs verbaasd dat ze nog tot de Nederlandse literatuur worden gerekend. Bij een aantal merkte ik hoe lang het geleden was dat iemand belangstelling voor ze had; ze waren een beetje in stilte weggezakt.
Wat me opviel, was dat bijna niemand moeilijk deed. Niemand wilde mijn stuk achteraf ook maar enigszins aanpassen: iets wat een jongere generatie waarschijnlijk wel zou doen. Ik vond dat wel voor hen pleiten.’
In je roman Het archief speelt marketing en de druk om zichtbaar te zijn juist een opvallende rol. Hoe kijk je zelf naar de zichtbaarheid die tegenwoordig van schrijvers wordt verwacht?
‘Zichtbaar zijn is niet mijn favoriete onderdeel van het schrijverschap, maar ik zie wel dat het noodzakelijk is. In een tijd waarin aandacht zo versplinterd is, denk ik dat je als schrijver wel een beetje aanwezig moet zijn, ook online. Niet dagelijks, maar genoeg zodat mensen weten dat er iets van je verschijnt.
Ik heb één vriend die boeken schrijft en social media haat. Hij publiceert prachtige boeken, maar er gebeurt bijna niets mee. Dat ligt niet volledig aan zijn online afwezigheid, maar het illustreert naar mijn idee wel hoe bepalend zichtbaarheid is geworden. Bij de oudere schrijvers die ik voor mijn boek bezocht, zag ik juist het tegenovergestelde: zij hielden zich totaal niet bezig met hun imago.’
In het boek De Prullenmand heeft veel plezier aan mij, ga je ook op bezoek bij dichter Jan Kal, die woont in een huis dat nauwelijks bewoonbaar is. Hoe benader je zo’n bezoek zonder iemand tekort te doen?
‘Het was heftig om zijn huis binnen te stappen. Overal lagen spullen, stapels boeken en het was ontzettend vies. Ik moest door mijn mond ademen. Maar op zo’n moment probeer ik dan vooral te kijken naar wat ik kan gebruiken. Dat maakt het voor mij dan gelijk draaglijker: dan denk ik: het heeft in ieder geval zin voor het stuk.
Gisteren vroeg iemand nog of ik me nu dan heel begaan voel met de schrijvers en het gevoel heb dat ik me om hen moet bekommeren. Dat heb ik eigenlijk niet, behalve bij Jan Kal, die het meest hulpbehoevend overkwam. Ik moet hem weer even berichten. Na dat bezoek voelt het alsof er toch iets van verantwoordelijkheid is achtergebleven. Hoe klein ook.‘