Een dag nadat de extreemrechtse Amerikaanse activist Charlie Kirk werd doodgeschoten, op 10 september 2025, verschenen er minstens drie boeken waarop zijn naam stond. De auteursnamen in kwestie waren onbekend en deden er niks toe, want er was geen auteur aan te pas gekomen, tenminste niet in de klassieke zin van het woord. Deze 24 uur waren waarin dit alles gebeurde was een zoveelste voorbeeld van hoe snel kunstmatige intelligentie tegenwoordig wordt ingezet om zo’n gebeurtenis te duiden en politiek te sturen. Naast de genoemde boeken verschenen er fictieve audioversies van Kirks toespraken en online doken overal waarderende berichten op over zijn werk, zijn gezin, zelfs over de hierboven genoemde boeken – kortom, kunstmatige intelligentie die werk van andere kunstmatige intelligentie aanprees. Het is bekend, zoals Nietzsche God doodverklaarde, verklaarde Roland Barthes in 1967 de auteur dood, wat inhield: teksten draaiden om de door lezers toegekende betekenis en dus niet om wie ze had geschreven of diens eigen leven. Nu mensen steeds eenvoudiger enorme teksten kunnen produceren of laten produceren, is de betekenis van taal drastisch aan het veranderen. Noties als ‘authenticiteit’ en ‘auteurschap’ krijgen zo een fundamenteel andere lading, het begrip ‘boek’ devalueert; we zijn beland in een tijd waarin de auteur niet alleen symbolisch doodverklaard kan worden, maar ook steeds vaker fysiek. De onvermijdelijke vraag is wat dat betekent voor de literatuur. En in het verlengde daarvan: waarom zou je, zou ik zelf nog blijven schrijven? Waarom zou je nog een boek van een schrijver lezen?
Paul Auster, de beroemde Amerikaanse auteur, definieerde schrijven ooit als een hoofdzakelijk fysieke bezigheid, die wordt aangestuurd door het ritme van ademhaling en hartslag. ‘De wereld is in mijn hoofd. Mijn lichaam is in de wereld.’ Alle intensieve gevoelens die ik ooit heb ervaren, alle somberte, liefde, angst, walging, heb ik in de loop der jaren het sterkst door schrijvers uitgedrukt gezien. Het bescheiden wonder van fictie: dat je in een verhaal tijdelijk een ander kan worden en jezelf kan terugzien. Aan kunstmatige intelligentie komt natuurlijk geen ademhaling of hartslag te pas, wat volgens Auster dus zou inhouden dat er geen sprake is van waarlijk schrijven, maar toch ontstaan via kunstmatige intelligentie steeds meer teksten die door steeds meer mensen wordt gebruikt of zelfs serieus genomen. Een overtuigend artikel schrijven heeft meer en meer weg van een goede prompt bedenken. Websites en tijdschriftenpagina’s stromen vol met aangelengde waarheden en overtuigend gebrachte verzinsels waar niemand helemaal verantwoordelijk voor is en die niemand voluit overziet. Toen ik het afgelopen jaar zogeheten Vrije Schrijver was aan de VU, stond ik enkele maanden als gastdocent voor de klas. Meerdere studenten stelden diezelfde vraag: waarom zou ik in dit tijdperk nog helemaal zelf schrijven? ‘De toekomst is AI-gedreven,’ hoorde ik VU-rector Jeroen Geurts tijdens een van mijn eerste dagen als Vrije Schrijver zeggen. Ik luisterde lang naar dat citaat en spoelde de video terug, ik dacht was dat een belofte of een waarschuwing? Kunstmatige intelligentie is zo veelomvattend en wordt al zo massaal gebruikt, dat het alle taal potentieel verdacht maakt: want kun je nog onomstotelijk bewijzen dat iets helemaal door een mens werd bedacht en geschreven, dat er geen technologie aan te pas kwam? Wat is de rol van de schrijver in dit alles?
Doorgaans behandelt men non-fictie en fictie als tegenpolen. Jury’s van literaire prijzen maken graag helder onderscheid tussen de twee genres. In boekhandels en krantenbijlages worden ze strikt gescheiden. Bij dit alles wordt vaak enigszins meelijwekkend of zelfs alarmistisch over fictie gesproken – kijk toch eens naar de bestsellerlijsten, er staat amper nog fictie tussen en al helemaal niet meer literatuur. Toch wint juist fictie steeds meer terrein, en dringt via sociale media en politiek steeds ongegeneerder de alledaagse realiteit binnen. Het patroon is duidelijk: fictie wordt gepresenteerd als werkelijkheid, en zelfs wanneer iets aantoonbaar onjuist is, volgt geen ontkenning. Het ‘alternatieve feit’ wordt vaak als hedendaags verschijnsel gezien, maar je kunt ook beargumenteren dat het allang bestaat. Er zijn weliswaar eindeloos veel meer middelen dan vroeger om halve verzinsels of hele leugens te genereren en verspreiden, alleen de waarheid is voor mensen zelden leidend geweest. Onderzoek na onderzoek laat zien: mensen verwerken informatie vooral om hun al bestaande overtuigingen te voeden en dus tegenbewijs te negeren. En: ze baseren hun beslissingen doorgaans op emotie en niet op rationele afwegingen. Gezamenlijk roepen die onderzoeken sterk de vraag op of de waarheid in de wereldgeschiedenis ooit echt leidend is geweest. Volgens mij is fictie een inherent onderdeel van hoe we onze omgeving zien, filteren, al eeuwen vormen. Bedrijven als OpenAI, Microsoft en Meta hebben dat niet veranderd, ze hebben het alleen drastisch versterkt. Zoals de meeste mensen niet hoeven te weten hoe de koe die ze ’s avonds opeten geslacht is, zo zijn velen die kunst volgen niet bezig met hoe iets precies tot stand is gekomen, wat waarop gebaseerd is, of het feitelijk helemaal correct is en wie eigenlijk welke formulering bedacht. Misschien ben ik extra begaan bij kunstmatige intelligentie omdat mijn eigen ambacht erdoor in de knel komt. Zoals bekend baseert een programma als ChatGPT zich op al bestaande teksten. Taal is immers in wezen een geheimschrift, dat je kunt benaderen zoals een wiskundige een som benadert: wat zijn de patronen, wat zit erachter? Zo kan kunstmatige intelligentie zo makkelijk teksten produceren. Wittgenstein schreef ooit dat taal pas betekenis kreeg zodra die gebruikt werd door mensen in een gemeenschap. Een programma als ChatGPT valt te zien als onderdeel van die gemeenschap, maar staat er tegelijkertijd steeds meer en meer los van, want het wordt gestuurd door algoritmes die amper nog menselijke prikkels nodig hebben, die moeiteloos boekenkast kunnen samenvatten, die iemands hakkelende woordenbrij desgevraagd binnen twee tellen herschrijven. Er zit iets vervreemdends in de taal die daarmee ontstaat. De zinnen kloppen grammaticaal maar gaan vaak over een wereld die lijkt op de onze maar toch anders in elkaar zit. Holler, leger. Met een plechtigheid waar geen greintje relativering of reflectie in zit, plus een zinsbouw die regelmatig makkelijk te herkennen valt. ‘Dat is geen gekke vraag, maar een helder inzicht, Thomas.’ In zekere zin is AI wat een stochastic parrot wordt genoemd: een virtuele, uit taalmodellen opgetrokken papegaai. Maar dit klopt niet helemaal, legde onder meer VUwiskundige Sandjai Bhulai me uit: wiskundig gezien heeft kunstmatige intelligentie ook begrip van de context en komt ze zo op eigen ideeën. Voorbeeld: je kunt aan AI vragen om natuurkundige stellingen te bewijzen die niet kloppen, en dan komt er alsnog een overtuigend bewijs, met hooguit een klein addertje onder het gras dat de meesten ontgaat. Als schrijver sus ik mezelf snel met de volgende gedachte: deze technologie richt zich natuurlijk primair op informatieoverdracht en heeft dus veel meer moeite met zaken als ironie of gelaagde beeldspraak, omdat die juist draaien om een zekere onverwachtheid, om een levendigheid die schuilt in het scriptloze en spontane, om tegendraadsheid, om verdekte betekenissen. Het punt is alleen: ik kan dit nu wel stellig beweren en vinden, maar als steeds meer mensen gewend raken aan AI en AI-taal, verandert dat ook alle opvattingen over stijl en tekst. En: veel mensen hebben geen behoefte aan lange of korte discussies over de waarde van kunst of aan een correct wegen van bronnen. Veel mensen houden van verhalen die kloppen bij wat ze voelen, ze houden van fictie, ze vinden het prima om bedrogen te worden.
Indien ik zou zeggen dat deze tekst deels door kunstmatige intelligentie is geschreven, zou dat uw perceptie van deze woorden vermoedelijk veranderen – maar op welke manier precies? Zijn zinnen per definitie minder interessant zodra ze voortkomen uit computertaal en kunstmatige codes? Stel, de Libris Literatuurprijs wordt gewonnen door een schrijver die tijdens zijn of haar dankwoord zegt dat de winnende roman met ChatGPT is geschreven. De logische en moeilijk te beantwoorden vraag is of die prijs dient te worden ingetrokken. Moet er een commissie worden ingeschakeld, kan het applaus ongehinderd doorgaan? De tekst is immers bekroond, en die blijft hetzelfde. Bovendien kan ‘schrijven met hulp van kunstmatige intelligentie’ van alles betekenen, uiteenlopend van wat kleine tekstuele ingrepen tot het uitdenken van scènes tot het volledige schrijfwerk zelf. Ikzelf gebruik geregeld het AI-programmatje Sonix om opgenomen interviews uit te laten te typen: maakt dat het uiteindelijke artikel iets minder mijn werk? Wanneer ik een roman schrijf en aan ChatGPT vraag om redactionele hulp, kun je je afvragen of dat valsspelen is of uitsluitend een handigheidje, en of het wezenlijk verschilt van toen mijn vader decennia geleden mijn eerste schrijfsels met een rood pennetje keurde. Dit zijn veel makkelijkere vragen om te stellen dan om te beantwoorden. Erdoorheen schemert de grote vraag wat acceptabel is, binnen de context van prijstoekenning maar ook daarbuiten. Wanneer beschouwen we een werk nog als autonoom? Het Britse wetenschapsblad Nature deed een boeiend onderzoek: mensen kregen verschillende soorten poëzie voorgelegd, en toen ze vervolgens hoorden welke gedichten door kunstmatige intelligentie waren geschreven en welke door mensen, werd hun oordeel over de AI-poëzie keer op keer negatiever. Wat zegt dit over hoe mensen naar een kunstwerk kijken? In elk geval dit: wie een schilderij van Rembrandt of een roman van Tolstoj bewondert, valt vermoedelijk voor de schoonheid van die kunst, de verzorgde stijl, de compositie, de levendige details, noem het allemaal maar op– maar die waardering gaat ook deels om het besef dat er voor al deze elementen moeite is gedaan. Dat Anna Karenina en De Nachtwacht niet binnen een paar tellen, minuten of uren tot stand kwamen. Dat er lang over het werk werd nagedacht door iemand die hetzelfde beperkte instrumentarium tot zijn beschikking had als wijzelf: armen, benen, hersens, kortom, het menselijk lichaam. Misschien is het naïef om te denken dat met de Libris Literatuurprijs uitsluitend een boek wordt bekroond. Zo’n prijs behelst niet alleen de erkenning: dit is mooi, dit zit vernuftig in elkaar. Maar ook: dit heeft veel inspanning gekost, hieraan ligt veel menselijke moeite ten grondslag.
Die menselijke moeite zit niet alleen in teksten en andersoortige kunstwerken zelf. Het gaat ook om een de menselijke moeite die door kunstmatige intelligentie wordt beïnvloed, weggedrukt zelfs, terwijl ze het beginpunt vormt van vrijwel al het mooie dat wordt gemaakt: de vele uren die aanvankelijk tot weinig leiden, alle opgehoopte inspanning die nodig is om een kunstwerk te maken, het voortdurend oefenen en ploeteren, dingen nog niet kunnen. Concreter: aan Anna Karenina ging veel bescheidener, minder sprankelend proza vooraf. Dat had Tolstoj nodig om deze roman te kunnen schrijven. Dergelijke inspanning wordt alsmaar spaarzamer. Ook omdat er steeds minder geld is om talent te ondersteunen. Elke keer dat ChatGPT wordt gebruikt voor het schrijven van een tekst of het genereren van beeld, wordt er een mogelijk talentvol, jong iemand niet ingezet. Voor mijzelf begon het schrijven twintig jaar geleden, over hiphopmuziek. Een deel van mijn geluk was dat ik dit in een ongezien online uithoekje deed: ik kon vrijelijk proberen. Ik schreef doodlopende alinea’s, zuurstofloze zinnen. Zonder dit gerommel in de marge en zonder die schijnbaar nutteloze uren, had ik nooit leren schrijven, waren er nooit korte verhalen gekomen, nooit romans, dan had ik deze lezing nooit gehouden. Een ander deel van mijn geluk, constateer ik inmiddels, was dat ik begon met schrijven in een tijd dat kunstmatige intelligentie zoals we die nu kennen nog niet bestond. Ik moest wel moeite doen voor mijn stukken, want ik kon geen computerprogramma binnen drie secondes een lap tekst laten uitspugen. Was die mogelijkheid er wel geweest, dan weet ik niet zeker of ik eenzelfde concentratie en overgave zou hebben gehad. Ongetwijfeld zou ik hebben begrepen dat ik beter zelf kon schrijven, maar toch: had ik bij spaak lopende alinea’s of tijdens vermoeide dagen niet toch mijn toevlucht gezocht tot kunstmatige intelligentie? En had die me niet verleid om het steeds vaker te doen? Felienne Hermans, hoogleraar computerwetenschappen die zelf alleen een dumb phone bezit, geen smartphone, stelde me toen ik haar trof de vraag: ‘Wie heeft er nou nog de tijd om heel langzaam iets te maken wat gewoon slecht is?’ Wat meer en meer verdwijnt, ook qua literatuur, is de tijd om ondermaats te zijn, om te oefenen en klungelend te proberen. Kunstmatige intelligentie ontneemt steeds meer mensen niet alleen het besef dat sommige dingen moeite kosten, maar ook dat die moeite op zichzelf al iets oplevert. Dat gaat niet zozeer om ijdelheid, het gaat vooral om de diepgewortelde behoefte om iets tastbaars te doen. Om de vreugde van na lang zoeken op een juist woord komen. Achterhalen wat je ergens bij denkt of voelt, door er in afzondering taal voor te zoeken. Iets schrijven – maken – waarvan je niet had verwacht dat je het zou kunnen. Iets uitrichten op een manier waarvan je zelf in elk geval eventjes kan denken: dit doet niemand anders zo, zonder mij hadden deze woorden hier nooit kunnen staan.
Hoe gaat dit nu verder? Een van de beangstigende zaken is dat niemand het lijkt te weten. Er wordt geroepen dat de AI-‘bubbel’ gaat barsten. Er zijn mensen die beweren dat kunstmatige intelligentie een bewustzijn gaat ontwikkelen of zelfs al heeft – een zijpad dat uiteindelijk iets weg heeft van een geloofskwestie: ben je in staat te geloven in de mogelijkheid van bewustzijn voor zo’n technologie? En wat zou het gevolg daarvan zijn voor AI-kunst? Kortgeleden verscheen de Britse horror-roman Shy girl, die na een paar maanden uit de winkels verwijderd: er werd bewezen geacht dat bij het schrijven AI was gebruikt. Je kunt natuurlijk zeggen: dit is een uitzondering, niemand kent de schrijver in kwestie – maar het heeft alsnog een serieus effect: lezers gaan door dit soort voorvallen het auteurschap steeds meer wantrouwen, net zoals veel sociale media tegenwoordig met permanente scepsis worden bekeken: elk getoond filmpje kan door AI zijn gemaakt, elk fragment kan nep zijn. Voordat de industriële revolutie begon, gebruikte iedereen handgemaakte spullen: er was geen alternatief. Vanaf het moment dat massaproductie opkwam, werden handgemaakte spullen zeldzamer en daarmee duurder, dus meer iets voor de elite. Ik begin steeds vaker te denken dat het niet alleen met kunst, maar ook met de realiteit zo verder zal gaan. Dat beide steeds meer het domein worden van een kleine groep. Nu al groeien er generaties op die het normaal vinden dat je in twee seconden een tekst van boeklengte kan produceren. Ze gebruiken taal achteloos als een gekraakte code, zijn gewend aan de eindeloze toevoer van AI-drek op hun schermen en onderscheiden steeds moeilijker nep van echt, en vooral: ze zijn daar – veelal gestrest, murw gebeukt – ook helemaal niet meer mee bezig. En ja, dit alles raakt aan de betekenis die we aan kunst toekennen en dus aan de rol van de schrijver. Hoe minder woorden waard zijn, hoe meer verdediging ze behoeven. Alles van waarde is weerloos, die uitspraak wordt tot vervelens toe aangehaald, maar we zijn beland in een wereld waarin alles van waarde ook juist een vorm wordt van verzet: tegen luiheid, tegen gelikte voorspelbaarheid, tegen eenkennigheid, tegen woorden waar geen moeite achter zit. De komende tijd zal kunstmatige intelligentie haar greep alleen maar verstevigen, zeker zolang regelgeving blijft ontbreken. De AI-kopieën zullen steeds natuurgetrouwer overkomen, maar het blijven replica’s van woorden die al rondzingen en die de journalistiek en literatuur als we niet oppassen steeds meer naar een betekenisloze echokamer duwen, waar in het ergste geval bijna geen mens meer aan te pas zal komen, en vervolgens amper nog iemand naar wil omkijken. Dus, terugkomend op die vraag: waarom nog schrijven? Wat bezielt iemand te midden van dit alles om dat te blijven doen? Ik heb eigenlijk geen idee. Volgens mij schrijf ik uiteindelijk voor een belangrijk deel daarom: omdat ik vaak geen idee heb. Hoe het allemaal zit, hoe de situatie over een maand of een jaar zal zijn. En mogelijk schrijf ik omdat soms een losse alinea of slechts een zin opeens iets ontsluiert, iets raakt wat ongrijpbaar is, iets verlicht of onvoorzien vat. Als ik diep vanbinnen meende dat kunstmatige intelligentie het einde van kunst zou inluiden en de schrijver overbodig zou maken, zou ik stoppen met mijn werk. Ik zou niet de moeite hebben genomen deze tekst te schrijven zonder eenmaal ChatGPT te raadplegen. Misschien, denk ik soms, neemt door kunstmatige intelligentie uiteindelijk het verlangen naar rafelige kunst en daarmee naar menselijke inbreng toe: zoekende gedachtes, imperfecte verhalen, boeken met onverklaarbare registerwisselingen en een onaf einde. Misschien, hopelijk zou je straks kunnen stellen dat hierdoor – en dus mede dankzij AI – de auteur weer uit de symbolische dood gaat verrijzen. En ontstaat er zo ook een iets breder besef: net als AI-kunstwerken komen mensen voort uit wat al bestaat, we doen allemaal na wat voor ons is gedaan, maar het feit dat iemand iets op een specifiek moment zegt of doet, iets wat een dag later of eerder al heel anders kan zijn, is altijd een persoonlijke daad van communicatie, voortkomend uit hyperindividuele ervaringen op een specifiek, onherhaalbaar moment. Iedereen zou op deze plek een ander verhaal hebben vertellen dan ik. Volgende week kan ikzelf al een andere verhandeling over deze onderwerpen optuigen. Het heeft lang geduurd voor ik besefte hoeveel troost daarin besloten ligt, en dat die troost door geen apparaat of algoritme of gekraakte code kan worden nagedaan.