Job IJzerman heeft drie prachtige luistervoorbeelden geselecteerd om u te laten horen hoe tekst en muziek op elkaar inwerken.
In drie aansprekende voorbeelden is goed te horen wat de rol van ‘retorica’ is.
- Josquin des Prez (c. 1450-1521): “Absalon fili mi”
Dit motet gaat over Koning David die treurt om de dood van zijn zoon Absalon. De uitzonderlijk lage ligging (alleen mannenstemmen) laat het sentiment goed tot zijn recht komen. Als David uitroept dat hij jammerend neerdaalt in de hel (“sed descendam in infernum plorans”), klinken in alle stemmen dalende drieklankfiguren die op een ongelooflijk lage slotklank uitkomen (vanaf 4’24”).
- Claudio Monteverdi (1567-1643): “Hor che’l ciel e la terra”
Dit madrigaal is gebaseerd op een sonnet van Petrarca. Het eerste kwatrijn is een beschrijving van de tot rust gekomen nachtelijke natuur. De sfeer die dit oproept komt in de muzikale toonzetting tot uiting door een vrijwel volkomen bewegingsloosheid (0’00”-1’08”). Het tweede kwatrijn zet hier in de eerste twee versregels de menselijke, emotionele natuur tegenover: ”vegghio, penso, ardo, piango” (ik kijk, denk, brand, huil): niet verwonderlijk dat de toonzetting scherp contrasteert met het voorgaande. (1’09-2’27”)
- Johann Sebastian Bach (1685-1750): “Cruxifixus” uit de Hohe Messe
Dit deel van het “Credo” uit de katholieke mis (1.05’51”-1.08’56”) is gebaseerd op de tekst “Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilatus, passus et sepultus est.” (Hij werd voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden en werd begraven.) De muziek is gebouwd op een zich steeds herhalende chromatische baslijn, ook wel een “lamento” (klacht) genoemd. De hogere stemmen doen ons het lijden meevoelen door ongebruikelijke melodische sprongen en dissonante klanken. Op de slotwoorden “sepultus est” lijkt het alsof de muziek neerdaalt in het graf.
Deze en tal van andere voorbeelden komen aan bod in de cursus Muziek en retorica: de verbinding tussen woord en klank (start: 3 augustus).