Tekst: Jasmijn van Holsteijn | Foto: Max de Moor | 6 augustus 2026
Voor het WK hockey ben je geselecteerd als tweede keeper. Hoe is dit voor je?
‘Lastig, het is een soort rouwproces waar ik doorheen ben gegaan. In het begin voelde ik me down. Ik heb er zo lang en hard voor gewerkt, maar het is niet gelukt. Als je als veldspeler bij de selectie zit, weet je dat je gaat spelen. Als keeper is dat anders. Er is maar één plek en die wil je hebben.
Anderhalve maand geleden hoorde ik dat ik het niet was geworden. Daar baalde ik heel erg van. Vrij snel daarna heb ik besloten dat ik wel mee wil gaan, want ik vind het te leuk om onderdeel uit te maken van het team.’
Is de voorbereiding als tweede keeper anders dan die als eerste keeper?
‘Ja. Als eerste keeper ben je volledig gefocust op je rol. Ik verzorg mezelf dan zo goed mogelijk, zorg dat ik voldoende slaap en dat ik alles op orde heb om uiteindelijk te presteren op het veld. Als tweede keeper probeer je op andere manieren waarde toe te voegen aan het team. Door met teamleden te praten, grapjes te maken of samen koffie te drinken. Sommige jongens willen in een tunnelvisie blijven, andere zoeken juist contact. Gelukkig kan ik wel aanvoelen wat ik bij wie kan doen, want we hebben al zoveel samen meegemaakt.’
'Als ik mijn helm opdoe, denk ik: het is klaar, we gaan weer door'
Na een fout kijkt iedereen naar de keeper. Wat gebeurt er in je hoofd op zo’n moment?
‘Dan baal je natuurlijk. Ik loop in zo’n geval meestal even achter mijn goal, neem een slok water en analyseer kort wat er gebeurde. Wat deed ik goed? Wat kon beter? Als ik dan weer voor het doel ga staan en mijn helm opdoe, denk ik: het is klaar, we gaan weer door. Het nadeel van keeper zijn is dat het soms tien of vijftien minuten duurt voordat de volgende bal komt. Als er dan nog gedachten opkomen, focus ik op mijn ademhaling.’
Je studeerde geneeskunde aan de VU. Wat voor student was je?
‘Niet echt de ideale student die hard studeerde. Ik probeerde zoveel mogelijk colleges, werkgroepen en practica bij te wonen, maar door hockey miste ik veel. Vaak blokte ik kort van tevoren voor tentamens.
Tijdens de bachelor ging dat prima. In de master werd het lastiger, omdat je dan begint met coschappen en drie jaar in een ziekenhuis meeloopt. Toen twijfelde ik wel hoe ik dat met hockey moest combineren.’
'Wat als ik me alleen op hockey had gefocust? Ik denk dat ik dan ongelukkiger was geweest'
Hoe kreeg je dat voor elkaar?
‘Dankzij de topsportregeling kon ik vier in plaats van vijf dagen per week coschappen lopen en werd ik in een ziekenhuis dichtbij huis geplaatst. Ik was op dat moment derde keeper van Oranje en ging daarom niet mee met alle buitenlandse trips. Daardoor had ik tijd voor mijn coschappen. Al was het wel een pittige periode.
Bij chirurgie was de overdracht om half acht ’s ochtends. Vervolgens werkte ik dan tot vijf en reed ik met gierende banden naar de hockeyclub. Daar had ik dan videobesprekingen en trainingen tot negen uur ‘s avonds. Daarna snel naar huis, m’n bed in en de volgende ochtend ging de wekker weer om zes uur.’
Na je coschappen begon je aan een promotietraject.
‘Klopt, ik heb mijn promotieonderzoek naar chirurgie voor maag- en slokdarmkanker bijna afgerond. Officieel heb ik een aanstelling van 36 uur per week en daarnaast train ik ongeveer 25 uur. Soms vraag ik me af: wat als ik me alleen op hockey had gefocust? Maar ik denk dat ik dan ongelukkiger was geweest.
Ik vind het leuk om met mijn hoofd bezig te zijn. Ook geloof ik echt dat mijn ontwikkeling buiten het veld me verder heeft gebracht binnen de lijnen. Maar misschien was ik als keeper verder geweest als ik alleen de focus daarop had gehad. Toch zou ik precies dezelfde keuzes maken als ik het over mocht doen.’
'Het geeft me rust dat er geen foute keuze is'
Welke overeenkomsten zie je tussen keepen en geneeskunde?
‘Als keeper analyseer je voortdurend wat er gebeurt. Welke voorkeuren heeft deze speler? Hoe rondt hij af? Waar komt het gevaar vandaan? Je neemt continu beslissingen. In de geneeskunde doe je eigenlijk hetzelfde. Je observeert, verzamelt informatie en bepaalt wat de beste aanpak is. In de chirurgie vind ik vooral de snelheid waarmee je moet schakelen erg interessant: er komt iemand binnen, je analyseert het probleem en vervolgens handel je, of juist niet. Zowel op het veld als in de operatiekamer blijf ik rustig. Ik kan mijn hoofd koel houden.’
Is een carrière in het ziekenhuis de volgende stap na je hockeycarrière?
‘Ja, ik wil dat niet half doen. En topsport ook niet. Mijn promotieonderzoek kon ik grotendeels in mijn eigen tijd indelen. Tussen trainingen door, als je verplichte rust op bed hebt, gaan de meesten scrollen op hun telefoon. Dan klapte ik mijn laptop open en ging ik werken. Als arts-assistent is dat anders. Dan moet je gewoon aanwezig zijn en heb je geen idee hoe lang de dag gaat duren.
Op een gegeven moment moet ik kiezen. Wanneer precies weet ik nog niet. Het geeft me rust dat er geen foute keuze is. Ik vind hockey geweldig en chirurgie ook.’
Waar hoop je na het WK op terug te kijken?
‘Ik hoop natuurlijk dat ik een moment in de goal mag staan, al is het maar vijf minuten. Maar vooral hoop ik dat we als team alles eruit halen wat erin zit. Het doel is goud. We kennen elkaar door en door. Ik hoop dat we met de verbinding die we als team hebben toewerken naar een piekmoment waarop alles samenkomt.’