Begrijpt de patiënt wel wat de dokter hem zojuist heeft verteld? Is het echt nodig om steeds een nieuw borsteltje te gebruiken? En waarom zouden artsen niet in deeltijd kunnen werken? Coassistenten hebben vaak veel vragen en ideeën over de dagelijkse gang van zaken in het ziekenhuis. Om de zorg te verbeteren, is het belangrijk om naar ze te luisteren.
Tekst: Shirley Haasnoot | Beeld: David Meulenbeld
‘Studenten geneeskunde beginnen vaak heel idealistisch aan hun opleiding,’ zegt Maartje Hoogsteyns, docent aan de afdeling Ethiek, Recht en Humanoria van het Amsterdam UMC. ‘Maar als ze na drie jaar studie hun coschappen gaan lopen in een ziekenhuis of zorginstelling, en geconfronteerd worden met de zorgpraktijk, kan dat ertoe leiden dat ze bepaalde illusies moeten loslaten. Vaak hebben ze het gevoel dat ze weinig invloed kunnen uitoefenen op de gang van zaken. Terwijl hun observaties juist heel waardevol kunnen zijn.’
Hoogsteyns geeft zo’n elf jaar les aan coassistenten, aanvankelijk aan de locatie Meibergdreef, maar sinds jaar en dag ook aan de Boelelaan. ‘Tijdens die colleges over ethiek, waarin de coassistenten zelf concrete gevallen uit de praktijk inbrengen, komt steeds de waarde van de verwondering en de frisse blik van de coassistenten naar voren,’ vertelt ze.
‘Wow, dit komt me bekend voor van mijn eigen coschappen’
Geïnspireerd door de ervaringen van haar studenten, initieerde Hoogsteyns het tweejarige project Open Up. Samen leren door de frisse blik, dat dit voorjaar van start ging. Ze werkt hierbij samen met student-assistent en stagiair Marion Postma, masterstudent Philosophy, Bioethics and Health aan de VU en student geneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Postma: ‘Toen ik over het project las dacht ik: wow, dit komt me bekend voor van mijn eigen coschappen.’
Hoogsteyns en Postma willen coassistenten en artsen samen laten nadenken over de manier waarop ze de observaties van de coassistent kunnen inzetten om te reflecteren op de zorg, en die daarmee ook te verbeteren. ‘In mijn ethiekonderwijs bespeur ik dat coassistenten vaak denken dat het geen zin heeft om zich uit te spreken,’ zegt Hoogsteyns. ‘Na hen de zondvloed. Dat kan leiden tot gelatenheid of zelfs cynisme.’ Postma: ‘Terwijl het erg kan helpen als je het gevoel hebt dat er iets met jouw waarnemingen en ideeën gebeurt.’
‘Mijn onderwijs is natuurlijk gericht op ethische dilemma’s,’ zegt Hoogsteyns. ‘We bespreken tijdens de colleges situaties waarin coassistenten zich afvragen: is dit eigenlijk goede zorg? Of is dit goede communicatie? Ik merk dan geregeld frustratie. Coassistenten krijgen heel veel feedback, maar weinig gelegenheid om hun eigen observaties te delen. Ons project gaat niet alleen over dilemma’s maar is breder gesteld: wat zie je in de zorg waar we als ziekenhuis wat van kunnen leren?’
‘Is dit wel hoe wij willen communiceren met de patiënt?’
Als je begint aan je coschappen moet je je voortdurend aanpassen, vertelt Postma. ‘Je bent maar kort op steeds verschillende afdelingen en staat dan minder stil bij bepaalde situaties. Maar dan komt er een moment waarop je denkt: hé, zouden we dit niet anders kunnen doen? Of is dit wel hoe wij willen communiceren met de patiënt?’
Hoogsteyns vult aan: ‘Bijvoorbeeld als een arts weinig tijd heeft, of bepaald jargon gebruikt en je ziet dat de patiënt diens uitleg eigenlijk niet meer kan volgen.’ Postma: ‘Andersom geldt dat overigens ook. Toen ik zelf coschappen liep moesten de arts en ik eens een heel moeilijk gesprek voeren. En ik verbaasde me er achteraf over hoe mooi dat gesprek was verlopen. Verwondering kan ook positief zijn.’
Je kunt als coassistent ook vragen hebben bij routines en beslissingen, zegt Hoogsteyns. Het kan zijn dat je als coassistent het gevoel hebt dat artsen zich verschuilen achter hun specialisme en dat een patiënt daardoor niet als geheel wordt gezien. Dat een wat complexere patiënt doorgeschoven wordt naar een collega, of terugverwezen naar de huisarts. Soms is een observatie heel praktisch: moet er wel drie keer overdracht zijn? Kan het ook niet in twee keer?
‘Qua uitstoot is de zorg vergelijkbaar met de luchtvaart’
Tegenwoordig stellen coassistenten ook vragen over duurzaamheid, een onderwerp dat vroeger nauwelijks op de agenda stond. Hoogsteyns: ‘Qua uitstoot is de zorg vergelijkbaar met de luchtvaart. De vraag rijst nu vaker of we sommige dingen niet op een andere manier kunnen organiseren, die minder belastend of vervuilend is. Ook daar werpt de nieuwe generatie een frisse blik op.’
Zo was er ooit een coassistent die uitzocht of het echt nodig was dat de leden van een operatieteam voor iedere operatie hun handen schrobden met een nieuw plastic wegwerpborsteltje, iets wat lange tijd de praktijk was. ‘Die coassistent had zich verdiept in de wetenschappelijke literatuur,’ vertelt Postma, ‘en het blijkt helemaal niet hygiënischer te zijn om zo’n borsteltje te gebruiken. Je kunt beter goed je handen wassen en ontsmetten. Uiteindelijk heeft dat inzicht ertoe geleid dat die wegwerpborsteltjes in de meeste ziekenhuizen niet meer worden gebruikt.’
Hoogsteyns: ‘Zeker rond hygiëne hebben mensen vaak een manier van werken die niet evidence based is, maar waar ze heel moeilijk van af durven te stappen.’ Postma: ‘Maar stel dat je acht operaties op een dag hebt, waarbij de chirurg, de coassistent en de operatieassistenten allemaal acht keer een nieuw borsteltje gebruiken, dan heb je een enorme berg afval.’
‘Je ziet dat de coassistenten van nu misschien liever in deeltijd werken’
In de gesprekken met coassistenten en artsen gaat het niet alleen om praktische zaken, maar ook om kwesties die wat onzichtbaarder of ongrijpbaarder zijn. ‘Wat je in ieder geval ziet is dat coassistenten zich veel meer dan vroeger afvragen wat ze bereid zijn te doen voor dit vak,’ zegt Hoogsteyns. ‘De norm was dat je als arts fulltime werkte en altijd beschikbaar was, om even te chargeren. Maar je ziet dat de coassistenten van nu misschien liever in deeltijd werken. Of heel graag dit vak willen beoefenen, maar niet als ze daarnaast geen privéleven kunnen hebben. Het gaat dan meer om reflectie op normen, die met de jongere generatie veranderen. Ik ben heel benieuwd wat we daarin ophalen in ons onderzoek.’
Het project bevindt zich nog in de interview- en analysefase, benadrukt ze. Maar Hoogsteyns en Postma weten wel al dat ze de coassistenten willen betrekken bij hun uiteindelijke bevindingen. ‘Als je de coassistenten wilt laten weten dat het zin heeft om zich uit te spreken, zul je moeten terugkoppelen wat er met hun observaties gebeurt,’ zegt Hoogsteyns. ‘Ze laten zien dat hun waarnemingen waardevol zijn en iets kunnen toevoegen aan de zorg. Dat ze wel degelijk verschil kunnen maken.’
Open Up is een tweejarig project (1 april 2026 tot 31 maart 2028), waarin wordt onderzocht hoe de frisse blik van coassistenten de zorgpraktijk kan verbeteren. Het onderzoek vindt plaats aan het Amsterdam UMC en wordt financieel ondersteund door de VUvereniging.