3 januari 2018
De scholen werden willekeurig geselecteerd uit de 60 scholen die deelnamen aan projecten 5 en 6. Van elke geselecteerde school werden één kind en één leerkracht uit groep 7 (10-11 jaar) en één kind en één leerkracht uit groep 8 (11-12 jaar) geïnterviewd.
Alle interviews waren semi-gestructureerd, zodat nieuwe ideeën tijdens het gesprek konden worden ingebracht. Kinderen werd gevraagd wat verwondering voor hen betekent. Leerkrachten spraken over hoe zij verwondering een plek geven in hun lessen: welke activiteiten zij ontwerpen om verwondering op te wekken, waar zij op letten om te zien of dit lukt, en of ze ook morele effecten waarnemen – bijvoorbeeld een verandering in de houding van kinderen tegenover anderen. Daarnaast gingen de interviews in op het eigen gevoel van verwondering van de leerkrachten en de invloed daarvan op hun onderwijs en leerlingen.
Zowel kinderen als leerkrachten werd eerst gevraagd om hun eigen perspectief te delen. Vervolgens kregen zij de definities van de twee soorten verwondering die in dit onderzoek werden gehanteerd en werd hen gevraagd of ze hun antwoorden in het licht daarvan wilden aanpassen.
Onze hypothesen waren dat de meeste kinderen in deze leeftijdscategorie momenten van verwondering kunnen beschrijven, maar dat ze daarin verschillen (zie hypothesen project 5). Verder verwachtten we verschillen tussen leerkrachten en scholen in de mate waarin verwondering wordt opgewekt (zie hypothesen project 6). Ten slotte werd verwacht dat leerlingen van leerkrachten die veel aandacht aan verwondering besteden, dit ook daadwerkelijk ervaren.