3 januari 2018
Het project onderzocht twee reeksen hypothesen. De eerste betrof verschillen in verwondering bij kinderen: hun vatbaarheid voor verwondering, de situaties, objecten of ervaringen die deze oproepen, het type verwondering waarop zij het meest reageren (onderzoekend of contemplatief) en de emoties die ermee gepaard gaan, zoals vreugde, ontzag of nieuwsgierigheid, die bepalen hoe kinderen met hun verwondering omgaan. De tweede reeks hypothesen richtte zich op het verband tussen verwondering en menselijke bloei, met als veronderstellingen dat vatbaarheid voor verwondering positief samenhangt met subjectief welzijn, empathie, nederigheid, waardering van schoonheid en uitmuntendheid, spiritualiteit, nieuwsgierigheid, creativiteit en liefde voor leren. Ook werden mogelijke verbanden met achtergrondvariabelen zoals intelligentie, geslacht, religieuze achtergrond, cultureel kapitaal en gezinssocio-economische status onderzocht.