Colombijn begint bewust pessimistisch: genocides, oorlogen, ecologische vernietiging en groeiende sociale ongelijkheid tonen volgens hem aan dat de wereld “tegen optimisme” werkt. Toch verdedigt hij de noodzaak van een vorm van hoopvolle betrokkenheid bij de wereld. Zijn boodschap is dat global citizenship geen juridische status is, maar een houding en praktijk van openheid, verbondenheid en bescheidenheid.
Vier aspecten van wereldburgerschap
Colombijn onderscheidt vier belangrijke aspecten van wereldburgerschap:
Het eerste aspect is een “brede blik”: openstaan voor andere perspectieven en streven naar een rechtvaardigere en duurzamere wereld. Wereldburgerschap vraagt volgens hem om idealisme, ook al lijkt dat soms een luxe vanuit een veilige positie in Europa.
Het tweede aspect bestaat uit “kosmopolitische vaardigheden”: het vermogen om zich cultureel flexibel en respectvol te bewegen tussen verschillende sociale en culturele contexten. Colombijn illustreert dit met persoonlijke ervaringen uit Indonesië, waar hij leerde dat vanzelfsprekende Nederlandse omgangsvormen elders als onbeleefd kunnen worden ervaren. Wereldburgerschap betekent hier: leren omgaan met verschil, vaak door fouten te maken.
Het derde aspect is een “gevoel van verbondenheid” met een bredere menselijke én niet-menselijke gemeenschap. Colombijn verwerpt het idee van wereldburgerschap als identiteit tegenover anderen, omdat dat opnieuw uitsluiting creëert. In plaats daarvan pleit hij voor een gevoel van gedeelde afhankelijkheid tussen mensen, dieren, natuur, en zelfs tussen generaties. Hij verwijst hierbij naar UNESCO en naar antropologisch onderzoek dat laat zien hoe mensen, ook onder moeilijke omstandigheden, zoeken naar erkenning en verbondenheid.
Het vierde en volgens Colombijn belangrijkste aspect is “bewustzijn van eigen privileges”. Wereldburgerschap vereist zelfreflectie, bescheidenheid en de bereidheid ruimte te maken voor anderen. Hij noemt dit “trying modesty”: proberen bescheiden te zijn.
Waarde van antropologie
Antropologie speelt in deze visie een cruciale rol. Volgens Colombijn leert antropologie mensen om werkelijk naar anderen te luisteren, hun perspectieven serieus te nemen en culturele verschillen niet meteen te beoordelen vanuit eigen normen. Hij verdedigt daarbij cultureel relativisme en waarschuwt tegen “chronocentrisme”: het veroordelen van mensen uit het verleden uitsluitend met hedendaagse normen. Tegelijk benadrukt hij dat dekolonisatie van de academische wereld noodzakelijk is: niet alleen symbolisch, maar ook in wie kennis produceert en welke stemmen centraal staan.
De impact van het onderzoek en de onderwijsvisie die Colombijn presenteert, ligt vooral in de combinatie van antropologie, onderwijs en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Hij ziet onderwijs niet alleen als kennisoverdracht, maar als een manier om studenten te leren omgaan met onzekerheid, verschil en morele complexiteit. Zijn pedagogische aanpak draait om veiligheid, zelfspot, erkenning van fouten en geloof in de handelingskracht van mensen.
Optimisme tegen beter weten in
Colombijn eindigt met een voorzichtige maar hardnekkige vorm van optimisme. Ondanks alle mondiale crises blijft hij geloven dat onderwijs en antropologie mensen kunnen helpen om empathischer, kritischer en bescheidener wereldburgers te worden. Zijn slotbeeld - waarin zelfs een figuur als Donald Trump als student antropologie zou kunnen leren luisteren naar anderen - vat die hoopvolle houding samen: optimisme tegen beter weten in.