Waarom krijgt de ene vrouw spontaan een tweeling, terwijl dat bij een ander nooit gebeurt? Die vraag staat centraal in het onderzoek van gedragsgenetica Nikki Hubers. Haar studie naar tweelingzwangerschappen levert nieuwe inzichten op in de allervroegste fase van het menselijk leven én heeft belangrijke maatschappelijke implicaties voor vruchtbaarheid en voortplantingszorg.
Hubers maakt onderscheid tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen. Eeneiige tweelingen ontstaan wanneer één bevruchte eicel zich in een vroeg stadium splitst, terwijl bij twee-eiige tweelingen meerdere eicellen tegelijk rijpen en afzonderlijk worden bevrucht. Waarom die splitsing of dubbele eisprong plaatsvindt, was tot nu toe grotendeels onbekend. Zij laat zien dat beide vormen van tweelingzwangerschappen complexe biologische processen weerspiegelen die cruciaal zijn voor het ontstaan van nieuw leven.
Veertien genetische regio’s
Een belangrijke uitkomst is de duidelijke relatie tussen twee-eiige tweelingen en vruchtbaarheid. Vrouwen met een genetische aanleg voor het krijgen van een twee-eiige tweeling blijken gemiddeld makkelijker zwanger te raken en vaker in staat om ook risicovollere zwangerschappen te dragen. In het DNA van deze vrouwen identificeerde Hubers veertien genetische regio’s die samenhangen met het ontstaan van twee-eiige tweelingen. Veel van deze genen spelen een rol in de hormonale aansturing van de eisprong, met name via het follikelstimulerend hormoon en het luteïniserend hormoon.
Die genetische inzichten hebben bredere betekenis. Ze verklaren zowel waarom sommige vrouwen verminderd vruchtbaarheid zijn, als waarom andere vrouwen meer vruchtbaar zijn. De resultaten wijzen op een genetisch continuüm. Aan de ene kant van de verdeling bevinden zich de vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen en aan de andere kant van de verdeling de moeders van twee-eiige tweelingen. Hubers onderzocht ook het effect van deze genen bij mannen: een hypothese die nu onderzocht wordt is dat het lijkt dat deze genen mogelijk een effect te hebben met testikelvolume.
Meer dan 1,3 miljoen deelnemers
Voor haar onderzoek maakte Hubers gebruik van gegevens uit grote internationale tweelingregisters, waaronder het Nederlands Tweelingen Register van de Vrije Universiteit Amsterdam, en van bevolkingsstudies zoals LifeLines in Noord Nederland. In totaal analyseerde zij genetische gegevens van meer dan 1,3 miljoen deelnemers uit Europa, Australië en de VS. Door DNA van moeders van twee-eiige tweelingen te vergelijken met dat van de algemene bevolking kon zij patronen blootleggen die eerder onzichtbaar bleven.
Naast doorbraken in de kennis over twee-eiige tweelingen noemt Hubers ook het belang van onderzoek naar eeneiige tweelingen, met name op het gebied van epigenetica: veranderingen in genactiviteit die niet in het DNA zelf zijn vastgelegd. Meer kennis hierover draagt niet alleen bij aan een beter begrip van het ontstaan van eeneiige tweelingen, maar ook aan inzichten in zeldzame ziekten en de epigenetische regulering in de vroege levensjaren. Daarmee raakt het tweelingenonderzoek aan fundamentele vragen over gezondheid, ziekte en ontwikkeling – met impact ver voorbij de tweeling zelf.