De ernstige vermoeidheid en inspanningsklachten die mensen met post COVID en ME/cvs ervaren, zijn niet simpelweg te verklaren door een gebrek aan beweging. In de spieren van patiënten zijn specifieke veranderingen te zien die invloed kunnen hebben op hun inspanningsvermogen. Dat blijkt uit onderzoek van pathofysioloog Braeden Charlton. De resultaten zetten vraagtekens bij reguliere revalidatieprogramma’s waarin lichaamsbeweging centraal staat.
Veel mensen herstellen na een infectie met SARS-CoV-2, maar bij een deel blijven klachten langer dan drie maanden bestaan. Mensen met lpost COVID ervaren vaak klachten die ook voorkomen bij ME/cvs, een ziekte die onder meer na een virale of bacteriële infectie kan ontstaan. Veelvoorkomende symptomen zijn ernstige vermoeidheid, spierpijn en post-exertional malaise (PEM). Bij PEM kunnen klachten toenemen na lichamelijke inspanning, zoals wandelen of fietsen, maar ook na cognitieve inspanning, bijvoorbeeld lezen of een examen maken.
Charlton onderzocht of veranderingen in de spieren kunnen helpen verklaren waarom mensen met post COVID en ME/cvs zo snel vermoeid raken. Beide patiëntengroepen blijken een lager aeroob inspanningsvermogen te hebben. De bevindingen wijzen daarbij niet alleen naar hart en longen, maar ook naar de spieren zelf.
In het spierweefsel vond Charlton onder meer relatief meer snelle spiervezels, die vooral geschikt zijn voor korte, krachtige inspanningen, en kleinere langzame spiervezels, die juist belangrijk zijn voor het uithoudingsvermogen. Ook zijn er minder haarvaatjes rond de spiervezels voor de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen en functioneren de mitochondriën, de energieleveranciers van de cel, minder goed.
Niet hetzelfde als conditieverlies
Een belangrijke vraag was of deze afwijkingen eenvoudigweg ontstaan doordat patiënten vanwege hun klachten minder bewegen. Charlton laat zien dat lichamelijke inactiviteit andere effecten op de spieren heeft. Bij inactiviteit krimpen alle spiervezels in gelijke mate, terwijl de verhouding tussen snelle en langzame vezels niet verandert. Ook blijft het aantal haarvaatjes per spiervezel behouden.
Daarmee kan gebrek aan beweging volgens het onderzoek niet volledig verklaren waarom patiënten een lager inspanningsvermogen hebben.
De resultaten zijn ook relevant voor de behandeling. Bij uiteenlopende aandoeningen wordt lichaamsbeweging ingezet als onderdeel van revalidatie. Ook bij ME/cvs en post COVID bestaat of bestond het idee dat patiënten hun belastbaarheid door meer te trainen kunnen verbeteren. Maar Charlton vond bij deze patiënten ook minder cellen die betrokken zijn bij de groei en het herstel van spierweefsel. Dat suggereert dat hun spieren mogelijk anders op training reageren dan die van gezonde mensen.
Het onderzoek van Charlton benadrukt daarmee dat voorzichtigheid nodig is bij een standaardaanpak met lichaamsbeweging. Revalidatie die voor andere patiëntengroepen effectief is, hoeft niet op dezelfde manier te werken voor mensen met post COVID of ME/cvs. De resultaten kunnen bijdragen aan revalidatiestrategieën die beter rekening houden met de lichamelijke veranderingen bij deze aandoeningen.