Tien jaar na de introductie van de Sustainable Development Goals (SDG’s) laat Nederland duidelijke vooruitgang zien op het gebied van duurzaamheid en sociale ontwikkeling. Tegelijkertijd maken nieuwe cijfers en analyses duidelijk dat grote uitdagingen blijven bestaan - vooral op het gebied van klimaat, biodiversiteit en de positie van jongeren. Dat blijkt uit de tiende Nationale SDG Rapportage, waaraan de Vrije Universiteit Amsterdam via SDSN Netherlands een belangrijke bijdrage leverde.
De rapportage laat zien dat samenwerking tussen overheid, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties concrete resultaten oplevert. Zo is het aandeel duurzame energie in tien jaar tijd verdubbeld tot bijna twintig procent van het totale energieverbruik. In twintig kwetsbare stedelijke wijken daalde het armoedepercentage van 18 naar 8 procent. Ook nam de financiële doorstroom naar belastingparadijzen sterk af: van 37 miljard euro naar 6,5 miljard euro per jaar. Daarnaast publiceren inmiddels 94 van de 100 grootste Nederlandse bedrijven een duurzaamheidsverslag, waarmee Nederland tot de Europese koplopers behoort.
Gerichte samenwerking
Deze resultaten tonen aan dat gerichte samenwerking daadwerkelijk maatschappelijke impact kan hebben. Afgelopen jaar werden duizenden woningen in kwetsbare wijken verbeterd en extra investeringen gedaan in leefbaarheid, onderwijs en energiebesparing. Ook kwamen burgers, bedrijven en overheden via het Nationaal Burgerberaad Klimaat gezamenlijk tot voorstellen om voedselverspilling en CO₂-uitstoot terug te dringen. In de zorgsector verbonden meer dan zeshonderd partijen zich aan de Green Deal Duurzame Zorg 3.0.
Toch maakt de rapportage ook duidelijk dat Nederland op belangrijke onderdelen achterblijft. De druk op natuur en biodiversiteit blijft groot: bijna 70 procent van de natuurgebieden op land heeft te maken met een stikstofoverschrijding. Op het gebied van waterkwaliteit behoort Nederland tot de laagst scorende landen binnen de Europese Unie. Daarnaast blijft de Nederlandse economie sterk afhankelijk van fossiele grondstoffen en biomassa, terwijl internationale productieketens zorgen voor aanzienlijke uitstoot en vervuiling buiten de landsgrenzen.
Vooral jongeren ervaren de gevolgen van deze structurele problemen, stellen de onderzoekers. Financiële onzekerheid, een krappe woningmarkt en toenemende druk op de mentale gezondheid stapelen zich op. De Nationale Jeugdstrategie, ontwikkeld met input van ruim 12.000 jongeren, biedt volgens de rapportage een belangrijke basis voor toekomstig beleid. De vraag is nu in hoeverre de politiek die plannen daadwerkelijk omzet in concrete maatregelen.
Nederlandse kennissector
De Vrije Universiteit Amsterdam speelde via SDSN Netherlands een centrale rol bij het opstellen van het hoofdstuk over de Nederlandse kennissector. Als host van SDSN Netherlands coördineerde de VU samen met NWO het proces waarbij vertegenwoordigers uit het primair, voortgezet en hoger onderwijs betrokken werden. Via bijeenkomsten en meerdere feedbackrondes werd input uit de sector verzameld en verwerkt in de uiteindelijke rapportage.
De conclusie van de kennissector is helder: de motivatie om te verduurzamen is groot, maar veel initiatieven zijn nog versnipperd en afhankelijk van individuele inzet. Volgens de rapportage is structurele langetermijnondersteuning noodzakelijk om duurzame verandering daadwerkelijk op systeemniveau te realiseren.
“De SDG-agenda staat onder druk, maar binnen de kennissector blijft met veel energie en veerkracht gewerkt worden aan duurzame verandering,” schrijven de auteurs. Daarbij benadrukken zij dat onderwijs, onderzoek en innovatie expliciet verbonden moeten blijven aan de SDG’s, juist nu maatschappelijke en geopolitieke spanningen toenemen.
Met nog vijf jaar te gaan tot 2030 is de boodschap van de rapportage volgens SDSN Netherlands duidelijk: de basis voor verandering ligt er, maar uitstel is geen optie meer. Keuzes die nu niet worden gemaakt op het gebied van natuur, klimaat en sociale zekerheid, zullen volgens de onderzoekers uiteindelijk leiden tot hogere maatschappelijke kosten voor volgende generaties.