Nederland staat voor grote maatschappelijke uitdagingen. Iedereen wil een overheid die de problemen nu écht oplost. Politici beloven dan ook van alles. Maar zijn complexe vraagstukken zoals de stikstofcrisis en klimaatverandering wel oplosbaar door overheden? En hoe moeten ze worden aangepakt? Vaak kiezen politici en beleidsmakers voor een technocratische benadering: politieke problemen worden dan voorgesteld als technische kwesties. Ingewikkeld misschien, maar zolang experts aan het werk worden gezet, volgt de juiste oplossing vanzelf – zo is de gedachte.
Onbedoeld verergert dat de problemen juist. In een technisch debat domineren experts, terwijl burgers naar de zijlijn verdwijnen. Zij voelen zich niet meer betrokken, zeker wanneer experts elkaar tegenspreken. Er is dus een andere benadering nodig, één waarin burgers actief worden betrokken – niet alleen bij het vinden van oplossingen, maar vooral bij het begrijpen wat het probleem eigenlijk is.
Kennis?
Filosofen zijn meesters in conceptueel denken. Ze vragen: wat betekent een begrip precies, en onder welke voorwaarden is het van toepassing? Over kennis bijvoorbeeld is eeuwenlang nagedacht: wat is kennis, en wanneer kunnen we zeggen dat iemand iets wéét? Maar opvallend weinig over welke kennis we eigenlijk nodig hebben om complexe maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering, aan te pakken.
Als we zeggen dat we experts nodig hebben – wat maakt iemand dan een expert op dit terrein? En als we juist vertrouwen op de wijsheid van burgers, welke kennis verwachten we dan van dat collectief? Beleidswetenschappers hebben hierover al waardevolle inzichten ontwikkeld, maar filosofen lijken dat debat grotendeels gemist te hebben. Mijn onderzoek laat zien dat juist door die werelden te verbinden – filosofie en beleidswetenschap – we beter begrijpen welke vormen van kennis, samenwerking en reflectie nodig zijn om verstandig met complexe problemen om te gaan.
Boemerang
Ik heb onder meer onderzocht hoe de Nederlandse regering reageerde op de coronapandemie en hoe het stikstofprobleem kon uitgroeien tot een stikstofcrisis – mede door de manier waarop het probleem werd gedefinieerd en aangepakt. De veelbesproken stikstofkaart, gepresenteerd onder minister Van der Wal, is een goed voorbeeld van een technocratische aanpak: experts maakten berekeningen, politici kondigden maatregelen aan, maar burgers voelden zich niet gehoord.
Het ‘oplossingsgerichte’ beleid sloeg als een boemerang terug. Als experts vervolgens ook nog van mening verschillen, neemt het wantrouwen in politiek en wetenschap alleen maar toe. Daarom is het cruciaal om helder te hebben wat iemand tot expert maakt, welke soorten expertise er zijn en wat we van verschillende experts mogen verwachten. Mijn onderzoek laat zien dat beleid beter werkt wanneer burgers vooral worden betrokken bij de vraag wat het probleem eigenlijk is.