De geschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam laat zien hoe belangrijk particulier initiatief vroeger was. De universiteit werd in 1880 niet alleen opgericht door Abraham Kuyper, maar vooral mogelijk gemaakt door particuliere financiers zoals bierbrouwer Willem Hovy. Ook andere instellingen in Nederland ontstonden dankzij donateurs, vrijwilligers en maatschappelijke betrokkenheid.
“Wie betaalt, bepaalt”
Vanaf de jaren zestig en zeventig veranderde dit. De overheid nam steeds meer taken over via de verzorgingsstaat en ging onderwijs, welzijn en sociale voorzieningen volledig financieren. Daarbij verdwenen niet alleen particuliere bijdragen, maar ook de betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties. Onder invloed van beleidsmakers zoals socioloog Bram Peper kreeg de overheid een dominante positie: “wie betaalt, bepaalt”. Het particulier initiatief verloor zijn plek aan de beleidstafels.
Toch verdween maatschappelijke betrokkenheid niet. Vanaf de jaren negentig ontstond een nieuwe filantropische sector met goede doelen, fondsen en wetenschappelijk onderzoek naar geefgedrag. Daarnaast kwamen steeds meer burgerinitiatieven op, zoals energiecoöperaties, zorgcollectieven, woningcorporaties en lokale projecten. Deze ontwikkeling laat zien dat burgers zich blijven inzetten voor maatschappelijke doelen, ook buiten de overheid om.
Het onderzoek van Schuyt toont aan dat het maatschappelijk initiatief een aanzienlijke bijdrage levert aan natuur, cultuur, sport, internationale hulp, zorg en armoedebestrijding. Miljoenen Nederlanders zijn actief als vrijwilliger. Hoewel de overheid op terreinen als onderwijs, zorg en sociale zekerheid verreweg de grootste financier blijft, leveren burgers, vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen belangrijke aanvullende bijdragen.
Activiteit van gewone burgers
Schuyt wijst erop dat filantropie in Nederland vaak een negatief imago heeft. Het wordt geassocieerd met rijke mensen, belastingontwijking of Amerikaanse toestanden. Volgens hem is dat onterecht. Filantropie is geen exclusieve activiteit van de rijken, maar juist van gewone burgers. Bovendien gaat het niet alleen om liefdadigheid, maar ook om burgerschap, verantwoordelijkheid nemen, gemeenschapszin en maatschappelijke betrokkenheid. “Ik pleit ervoor vaker de meer algemene term “maatschappelijk initiatief” te gaan gebruiken,” aldus Schuyt.
Voor de toekomst pleit Schuyt voor een nieuw evenwicht tussen overheid, markt en maatschappelijk initiatief. Hij stelt voor een nationaal platform voor maatschappelijke organisaties op te richten en meer aandacht te geven aan deze sector binnen beleid en bestuur. Ook wetenschappelijk verdient het onderwerp volgens hem een eigen discipline, omdat elke samenleving steunt op vier systemen: familie, overheid, markt en maatschappelijk initiatief.
“De overheid kan veel, maar kan niet alles alleen oplossen. Nederland heeft een sterke traditie van maatschappelijk initiatief. Om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, moeten overheid, markt en burgers elkaar meer als gelijkwaardige partners zien,” zegt Schuyt.