De voorlopige inschrijfcijfers voor dit collegejaar liegen er niet om. De instroom van bachelorstudenten aan de VU is harder gedaald dan het landelijk gemiddelde, en binnen onze universiteit wordt de Faculteit der Bètawetenschappen onevenredig hard geraakt. De daling bij de meeste Bètaopleidingen is nog groter dan het toch al zorgwekkende VU-gemiddelde. De zorgen zijn groot, en terecht. Op de werkvloer en in bestuurskamers wordt hard nagedacht over hoe we dit tij kunnen keren. De reflex om de wervingsknop verder open te draaien is begrijpelijk, maar ik vraag me af of dit het fundamentele probleem oplost.
Een landelijke trend
De cijfers zijn onmiskenbaar. Landelijk daalde de bachelorinstroom met 3,5%, maar met een daling van14% wordt de VU nog veel harder geraakt. De internationale instroom keldert met 9%, en ook het aantal Nederlandse eerstejaars loopt terug. Dit lijkt geen toeval, maar een demografische realiteit. Uit een recent WRR-rapport blijkt dat de groep 18- tot 23-jarigen in Europa de komende decennia alleen maar verder krimpt. Onze belangrijkste bronnen – Duitsland en China – drogen langzaam op. Intensievere werving kan op de korte termijn de schade beperken, maar het fundamentele probleem blijft.
Dat wil niet zeggen dat werven zinloos is. Natuurlijk moeten we alles uit de kast trekken om onze prachtige opleidingen in de etalage te zetten. Hierbij zijn onze studentambassadeurs en studieverenigingen van onschatbare waarde. Hun authentieke verhalen tijdens open dagen en hun creatieve content maken middelbare scholieren nieuwsgierig. Het nieuwe plan om hen beter te trainen en de Facultaire Studenten Raad (FSR) meer te betrekken, is dan ook een belangrijke stap. Maar onderzoek toont ook aan dat er geen eenduidig verband is tussen meer werving en duurzaam hogere studentenaantallen. Campagnes werken vooral in een gunstige demografische context – een context die voorlopig voorbij lijkt.
De juiste studenten vinden
Daarom is het goed om een reëler beeld te hebben van wat werving wel en niet kan oplossen. In deze tijden van krimp is goede werving vooral essentieel om de juiste studenten te bereiken en in mindere mate om de instroom te vergroten. Maar de werkelijke uitdaging schuilt in het vinden van aanvullende oplossingen. Laten we daarom niet alleen inzetten op werving, maar ook kritisch kijken naar ons opleidingsaanbod. Landelijke initiatieven als MasterMath voor wiskunde en de landelijke afstemming in het biologieonderwijs laten zien dat universitaire samenwerking kan leiden tot efficiënter en kwalitatief sterker onderwijs. Dit zijn inspirerende voorbeelden van hoe we gezamenlijk nieuwe routes kunnen verkennen.
Samen keuzes maken
Ik heb geen pasklaar antwoord voor het probleem van dalende instroom, maar wel een overtuiging. Ja, landelijke en regionale afstemming is oneindig veel complexer dan het intensiveren van werving. Zelfs afstemming tussen opleidingen op de VU-campus kan ingewikkeld zijn. Het vergt moed, veel geduld en het overwinnen van institutionele barrières. Maar waar werving vooral symptomen bestrijdt, biedt portfolioafstemming wél een duurzaam perspectief voor de lange termijn.
Krimp is het nieuwe normaal. Laten we die realiteit onder ogen zien door niet uitsluitend in te zetten op werven voor een krimpende vijver, maar ook de moeizamere weg te bewandelen van samenwerking en herbezinning op ons aanbod. De oplossing ligt waarschijnlijk niet in één grote ingreep, maar in een combinatie van maatregelen inclusief slimme werving, samenwerking met het werkveld, en de moed om samen keuzes te maken.