Na het overlijden van een partner komen veel ouderen er ineens alleen voor te staan. Partners zijn vaak de belangrijkste mantelzorgers en nemen het grootste deel van de dagelijkse zorg op zich. Als die wegvalt, ontstaat er een gat dat kinderen of professionele zorg niet altijd direct kunnen vullen. Schouwenaar: “We zien dat juist in de eerste maanden na een overlijden de kans groot is dat iemand in een instelling terechtkomt. Na ongeveer tien maanden neemt dat effect weer af.”
Vooral ouderen die al kwetsbaar zijn, blijken extra gevoelig. Voor hen is het verlies van hun partner vaak het moment waarop zelfstandig thuis wonen niet langer haalbaar is. Het onderzoek laat ook zien dat de aard van de gezondheidsproblemen verschil maakt: bij mensen met dementie stijgt de kans op opname kort maar krachtig, terwijl bij lichamelijke aandoeningen de toename wat minder sterk is, maar langer aanhoudt. Mannen en vrouwen blijken evenveel risico te lopen. Schouwenaar: “Met name de ouderen die thuiszorg ontvangen, blijken behoefte te hebben aan langdurige zorg na het overlijden van de partner.”
De bevindingen werpen nieuw licht op het Nederlandse beleid dat erop gericht is ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Volgens Schouwenaar laat het onderzoek zien dat dit beleid grenzen kent. “Zonder partner is het vaak lastig om zelfstandig te blijven wonen. Tijdelijke steun in de eerste maanden kan wellicht veel betekenen om een opname te voorkomen of uit te stellen. Wel roept dit de vraag op of het altijd wenselijk of haalbaar is om langdurige zorg uit te stellen.” Het is nog onduidelijk of langer thuis wonen altijd kosteneffectief is; verder onderzoek is nodig om dat te bepalen.
Voor haar onderzoek maakte Schouwenaar gebruik van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek over bijna 49.000 ouderen die hun partner tussen 2018 en 2019 verloren. Door deze gegevens te analyseren kon zij nauwkeurig in kaart brengen welke gevolgen het verlies van een partner heeft voor de behoefte aan langdurige zorg. Ook gezondheidseconomen France Portrait, Yvonne Krabbe-Alkemade en Maarten Lindeboom en econoom Pierre Koning van de Vrije Universiteit Amsterdam waren bij het project betrokken.