Zij komt tot een genuanceerde conclusie: motivatie is geen enkelvoudig verschijnsel, maar het resultaat van een complexe wisselwerking tussen persoonlijke overtuigingen, sociale opvattingen en biologische processen in het tienerbrein.
Altikulaç laat in haar onderzoek zien dat verschillende perspectieven – van ideeën over intelligentie en inzet tot maatschappelijke overtuigingen over het tienerbrein – elk op hun eigen manier invloed hebben op de waarde die jongeren hechten aan gedrag en de verwachtingen die zij hebben over hun succes. Die combinatie bepaalt uiteindelijk hoe gemotiveerd iemand is.
Samenhang tussen elementen
Altikulaç benadrukt dat er niet één oorzaak is voor de dalende schoolmotivatie tijdens de puberteit. “We focussen vaak op één factor, bijvoorbeeld het tienerbrein of de beloningsstructuur, maar motivatie ontstaat uit de samenhang tussen al deze elementen,” aldus Altikulaç.
Een belangrijk inzicht uit haar onderzoek is dat overtuigingen – bewust én onbewust – een grote rol spelen. Niet alleen de gedachten van jongeren zelf, maar ook hoe ouders, leraren en de samenleving over pubers spreken, beïnvloedt hun motivatie. Negatieve aannames kunnen onbedoeld leiden tot gedrag dat die verwachtingen bevestigt.
Genuanceerde blik
Altikulaç pleit daarom voor een evenwichtige benadering van wetenschappelijke kennis over tieners. “Als we als volwassenen te eenzijdig communiceren over wat tieners wel of niet zouden kunnen, lopen we het risico dat we niet-helpende overtuigingen versterken,” waarschuwt ze.
Haar bevindingen benadrukken het belang van een genuanceerde blik op motivatie in de puberteit. Niet alleen scholen, maar ook ouders, beleidsmakers en media spelen een rol in het vormgeven van een positief en realistisch beeld van jongeren: een beeld dat ruimte laat voor groei, fouten én ontwikkeling.