“Het progressieve imago van moderne kunstmusea is vooral gebaseerd op retoriek en zelfpromotie. Wat werkelijk progressief is, in de sociale zin van het woord, komt in hun programmering en promotie niet aan bod,” stelt Bouwhuis.
Casestudy’s
Bouwhuis baseert zijn onderzoek op drie casestudy’s. De eerste is zijn eigen ervaring met wereldwijde kunstprojecten bij het Stedelijk Museum Amsterdam, die volgens hem strandden op “institutioneel racisme”. De tweede onderzoekt hoe multiculturalisme slechts marginaal doordrong tot musea in de VS, het VK en Nederland. De derde richt zich op voormalig Stedelijk-directeur en verzetsheld Willem Sandberg, die later artistiek directeur werd van het Israël Museum in Jeruzalem.
Kritisch herzien
Volgens Bouwhuis is het tijd om het beeld van het ‘progressieve museum’ kritisch te herzien. “Elke claim die musea maken over hun democratisch gehalte dient met een korrel zout genomen te worden. Ondanks hun retoriek en promotie van diversiteit blijven ze exclusief voor bevoorrechte groepen en zijn ze er niet voor grote delen van de samenleving, zoals de (precaire) onderklassen en religieuze minderheden.”
Algemene middelen
Het onderzoek geeft onderbouwing aan kritiek op de neiging van musea om voortdurend uit te dijen. "Hun collecties worden steeds groter en hun marketing steeds geraffineerder. Daarnaast bepalen ze grotendeels hoe wij kunst zien, wat moderne en hedendaagse kunst is en wat onze smaak zou moeten zijn. Bovendien maken moderne kunstmusea steeds grotere aanspraak op algemene middelen.”
Bestaansrecht
“Wanneer stopt moderniteit?” Dat is volgens Bouwhuis de vraag die musea zichzelf zouden moeten stellen. “Als ze echt progressief zijn, zouden ze die vraag durven beantwoorden en daarmee ook hun bestaansrecht ter discussie stellen. Hebben we moderne kunstmusea werkelijk nodig?”