Met De kunst van het sterven in islamitische tradities (600-1800) wil Pieter Coppens, universitair hoofddocent Islam aan de VU, daar verandering in brengen. Zijn onderzoeksvoorstel levert hem een Vidi-beurs van NWO op.
Wat ga je onderzoeken?
Er is wel gezegd dat tradities rond het sterfbed perfect ‘het levensgevoel van een tijd’ weergeven. Religieuze tradities hebben door de eeuwen heen altijd normen gesteld voor een goed sterfbed. Kennis daarvan over een langere termijn helpt ons te begrijpen hoe de levens- en wereldbeschouwing van een beschaving door de eeuwen heen veranderd is. Over de geschiedenis van islamitische stervensnormen door de eeuwen heen weten we eigenlijk nog nauwelijks iets. Dat ga ik voor het eerst grondig in kaart brengen.
Mijn project analyseert opvattingen van moslims over ‘de goede dood’ door de geschiedenis heen, welke lichamelijke, zintuiglijke en emotionele normen men hanteerde, en welke juridische en ethische overwegingen men had. Het laat door een diachrone analyse van sterfbedverhalen en instructiewerken zien wanneer en hoe deze normen en overwegingen veranderden door de eeuwen heen. Zo lever ik met mijn team belangrijke nieuwe inzichten aan richting een ‘global history of dying’.
Waarom is dit juist nu relevant?
We zien momenteel in de Nederlandse gezondheidszorg dat de verwachtingen van het moderne geïnstitutionaliseerde, gemedicaliseerde en geïndividualiseerde sterven kunnen botsen met oudere religieuze tradities. Dat leidt regelmatig tot spanning en onbegrip rond het islamitische sterfbed. Ik ben ervan overtuigd dat diepe historische reflectie op islamitische stervensnormen ons kan helpen het maatschappelijke gesprek daarover beter geïnformeerd te voeren.
Hoe gaat de Vidi-beurs je helpen?
Ik heb dat idee al enkele jaren in mijn hoofd, en het is nog moeilijk te bevatten dat ik dit nu echt kan gaan uitvoeren. Ik ben vooral heel blij dat ik met deze beurs voor het eerst de kans krijg een eigen onderzoeksteam samen te stellen en echt sámen aan hetzelfde project te werken. Zo ontdek je veel meer en het is nog gezellig ook. Dat ik daarmee nieuw talent kan begeleiden op weg naar een zelfstandige academische loopbaan is goed voor henzelf en voor ons vakgebied. Het geeft een nieuwe vitaliteitsimpuls die we als religie-onderzoekers hard nodig hebben.
Had je het verwacht?
De marges zijn altijd erg klein bij dit soort aanvragen. Er zijn dus ook hele goede, misschien zelfs betere, onderzoekers die op kleine toevalligheden het nét niet gehaald hebben. Ik ben erg dankbaar dat ik nu de kans krijg, maar ons systeem van onderzoeksfinanciering moet wat mij betreft wel op de schop. Een systeem waarbij iedereen een basisgarantie heeft op onderzoekstijd en betaalde PhD’s zonder dit soort harde competitie zou eerlijker zijn en beter voor de wetenschap.